Selfie-rapport geeft deprimerend beeld van de kunstsector

Haast onopvallend viel het rapport middenin de komkommertijd op de deurmat. Een bescheiden boekwerkje in een sobere paarsblauwe kaft met daarop in witte letters de titel: Een collectieve selfie: Beter zicht op Beeldende Kunst. Gepubliceerd door het Mondriaan Fonds namens belangenvereniging Beeldende Kunst Nederland (BKNL), bundelt het rapport alle gegevens die uit recente onderzoeken over de Nederlandse beeldendekunstsector naar voren zijn gekomen. De publicatie is een nulmeting: zo staan de zaken ervoor in 2016. Vanaf nu kunnen we vaststellen of het in de toekomst beter of slechter gaat.

Zo discreet als het rapport eruitziet, zo schokkend is het nieuws dat het bevat. Want uit alle bijeengeraapte cijfers en enquêtes komt een beeld naar voren van een sector die hevig te lijden heeft gehad van de cultuurbezuinigingen en de economische crisis. Grafieken laten in één oogopslag zien hoe het aantal professionele beeldend kunstenaars is gedaald, van 17.000 in 2005 tot 15.000 in 2011 (een afname van 10 procent), hoeveel galeries er gesloten zijn sinds 2010 (zo’n 60 van de 650) en hoe de gezamenlijke omzet van de galeriebranche is gedaald van 120 miljoen in 2005 naar minder dan 90 miljoen in 2013.

Nog een paar deprimerende cijfers uit het apport: in 2005 werkte nog 71 procent van de afgestudeerde kunstenaars binnen het eigen vakgebied, in 2014 is dat gedaald naar 44 procent. Steeds meer kunstenaars, ook zij met een internationale carrière, hebben moeite het hoofd boven water te houden: 64 procent kan niet leven van zijn kunstenaarschap. Het gros van de kunstenaars (80 procent) verdient jaarlijks niet meer dan 20.000 euro bruto. Een kwart moet het zelfs doen met minder dan 2.000 euro bruto per jaar. Ter vergelijking: in andere beroepsgroepen zit niet 80 maar 40 procent van de zzp’ers onder die grens.

Het zijn getallen die in schril contrast staan met de jubelende bezoekcijfers van de grote musea. De museale sector, met zijn blockbustercultuur, is booming. Daar merken ze schijnbaar nauwelijks iets van de crisis. Het aantal museumjaarkaarten is sinds 2013 gestegen van 1 miljoen naar 1,3 miljoen. Zelfs de bezoekersaantallen van de zes door het rijk gesubsidieerde – en traditioneel wat hoogdrempeligere – presentatie-instellingen gingen omhoog, van een kleine 600.000 in 2013 naar ruim 700.000 in 2014. Animo voor kunst en cultuur is er dus genoeg, het is alleen zo jammer dat de kunstenaars daar nauwelijks van mee mogen profiteren.

Nu weten we, dankzij BKNL, dat onze kunstenaars in armoede leven. Laten we er nu ook snel iets aan doen, voordat de beeldend kunstenaar straks een uitstervend beroep is.