Ontiegelijk veel tegenlicht

Tentoonstelling Jan Weissenbruch

Op het eerste gezicht zien de stadsgezichten van Jan Weissenbruch er wat gewoontjes uit, maar wie langer kijkt, ontdekt er verbluffende balanceeracts in. Langer kijken kan nu op een tentoonstelling in Haarlem.

Jan Weissenbruch, De Everwijnstraat met het Caffaigne en het Nieuwe Hof te Culemborg, op de achtergrond de Binnenpoort, ongedateerd. Olieverf op paneel, 24,5 x 34,8 cm. Particuliere collectie ©

Eerst dit: er zijn twéé Jan Weissenbruchs in de Nederlandse kunst van de negentiende eeuw, allebei schilders van landschappen en stadsgezichten en allebei uit Den Haag. De bekendste, Jan Hendrik Weissenbruch, schilderde land en lucht in een impressionistisch idioom en werd de leidende figuur binnen de Haagse School. Zijn twee jaar oudere neef Johannes Weissenbruch werkte meer in de romantische trant van Wijnand Nuyen, Barend Cornelis Koekkoek en Andreas Schelfhout. Over ‘de romantische Weis’ (1822-1880) gaat dit verhaal.

Hij schilderde de straten, steegjes en pleinen van veel Nederlandse steden en stadjes, en je treft zijn werk dan ook aan in menig stedelijk museum. Maar zijn stadsgezichten hebben, anders dan die van bijvoorbeeld zijn tijdgenoot Cornelis Springer, niet alleen of vooral een topografische, documentaire waarde. Het zijn in de eerste plaats verbluffend goede schilderijen. Telkens als ik er een tegenkom, en daar dan langer en langer naar blijf kijken, denk ik: wat zou het mooi zijn als je eens ergens een heel stel Weissenbruchs bij elkaar kon zien. Jarenlang stond hij bovenaan mijn verlanglijstje van monografische tentoonstellingen – en nu is er zo’n overzicht, het eerste sinds 1986. In Teylers Museum in Haarlem, waar ze misschien wel de allermooiste Weissenbruch hebben: het meesterwerk Aan de Lek bij Elshout (ca. 1854).

Hij leed aan wat nu pleinvrees wordt genoemd: hij durfde soms lange periodes niet of nauwelijks naar buiten.

Typisch Weissenbruch is dat hij daar in Elshout – tegenwoordig beter bekend als Kinderdijk – de beroemde molens net buiten beeld hield, zoals hij dat ook deed met molens in Nijmegen en Rotterdam en met de Cunerakerk in Rhenen. Het stadhuis aan de Markt in Culemborg schilderde hij niet van voren maar van opzij, waarbij zijn aandacht vooral uitging naar het naastgelegen binnenplaatsje. Het was de achterkant van de ansichtkaart die hem interesseerde. Hij keek niet als een toerist maar als een bewoner, als iemand die vertrouwd is met het dagelijks leven op zo’n plek. Met de vrouwen die boodschappen gingen doen of de was te drogen hingen. De lange schaduwen in de ochtend. De olifantenpaadjes in het gras, uitgesleten door voeten en regenwater.

Stratenmaker

Weissenbruch hield ervan glooiende grasveldjes af te tasten met zijn penseel, niet om ieder afzonderlijk sprietje te portretteren maar om volume te geven aan het land. Hij was ook een geweldig goede stratenmaker: zijn plaveisel is altijd heel vakkundig gelegd en platgedrild. Op netten van in lijn getekende kinderkopjes liggen vegen verf die je meteen als moddersporen, paardenmest of steengruis leest. De pleinen voor de Laurenskerk in Rotterdam, de Saint-Denis in Luik en de Bavo in Haarlem zijn uitgestrekte platte vloeren die door mensen, paarden en honden worden overgestoken. Ze wagen het erop.

Zelf werd Weissenbruch onzeker van de ruimtes die hij zo feilloos wist te ontleden. Waarschijnlijk leed hij aan wat nu pleinvrees wordt genoemd: hij durfde soms lange periodes niet of nauwelijks naar buiten. Maar áls hij buiten kwam, of zelfs met een bevriend schilder door het land reisde, dan keek hij intens, tekende schetsboeken vol, maakte olieverfstudies. Dan verzamelde hij materiaal waarmee hij thuis weer jaren verder kon. Uit zijn herinneringen en schetsen bouwde hij ijzersterke composities.

Zijn schilderijen zitten vol schilderijtjes, vol fragmenten die de tentoonstellingsbezoeker met zijn camera of smartphone kan isoleren tot composities op zich.

©

Jan Weissenbruch, Aan de Lek bij Elshout, ca. 1854. Olieverf op doek, 63,5 x 84,5 cm. Teylers Museum, Haarlem. ©

Tegelijk heb je dan steeds de neiging verder uit te zoomen, want eigenlijk past dat stukje links ook nog mooi in het kader en sluit dat fragment rechts daar weer goed bij aan – tot je aan alle vier de kanten bij de lijst bent. Weissenbruchs stads- en dorpsgezichten zijn bijna altijd razend knappe balanceeracts, precies goed afgesneden en met alle elementen op de best mogelijke plaats.

Tegendraads

Zijn belangrijkste compositoire middel is het licht, of eigenlijk de schaduw, of eigenlijk de wisselwerking tussen die twee. Steeds is er een ritmische afwisseling van witte vormen tegen beschaduwde achtergronden en van donkere silhouetten tegen een lichte lucht of gevel. Zoals hij eigenwijs was in de keuze van zijn gezichtspunten, zo ging hij ook vaak tegendraads met schaduwen om. Er is bij Weissenbruch ontiegelijk veel tegenlicht: hij deinsde er niet voor terug grote delen van de voorstelling in de schaduw te leggen, waardoor een zonbeschenen muurvlak of figuurtje daarvoor of daarachter des te warmer lijkt. De grote koele partijen worden vaak weer verlevendigd door lichtere accenten, bijvoorbeeld ramen of regenplassen waarin het licht van buiten de schaduw weerkaatst.

Met de topografische werkelijkheid nam Weissenbruch het niet zo nauw, zo blijkt in Teylers Museum, waar soms verschillende verbeeldingen van dezelfde plek bij elkaar hangen. Hij verschoof een waterpomp, liet een muur weg of voegde een raam toe, kortte in en rekte uit: net waar het schilderij om vroeg. Ik denk dat hij de lichtsituaties – met die vele schaduwen – grotendeels uit het hoofd construeerde. Bij zo veel geschuif en gestileer bestaat het gevaar dat het beeld cerebraal wordt. Te uitgekiend, te evenwichtig. Doods. Maar dat is bij Weissenbruch nooit aan de hand. Het wordt er alleen maar leuker op. Zijn voorstellingen blijven er geloofwaardig uitzien, op het eerste gezicht zelfs wat gewoontjes, alsof ze zó uit het leven rond 1850 gegrepen zijn. Als een goede fictieschrijver stileerde hij in dienst van de levensechtheid: zijn werk is niet waar, maar waarachtig. Juist met kunstgrepen wist hij de werkelijkheid in haar overdonderende rijkdom te benaderen.

Bij de tentoonstelling in Haarlem is een mooi verzorgd boek over Weissenbruch verschenen, niet zo volledig als Willem Laanstra’s oeuvrecatalogus uit 1986, maar wel met veel betere reproducties en informatieve stukken over het leven en werk, de voorbeelden en de vrienden van de schilder. Tot die vrienden behoorde de schrijver Carel Vosmaer. Weissenbruch dacht met hem mee toen hij een biografie over Rembrandt schreef en maakte voor dat boek twee etsen. ‘Ik ben blij’, schreef de schilder in 1868 aan de schrijver, ‘dat mijn naam alzoo aan uw boek zal geassocieerd worden; ga ik dan van mij zelve niet de onsterfelijkheid tegemoet, dan zal ik ’t toch in uw gezelschap doen.’

Dat is een aardige, bescheiden opmerking. Maar Weissenbruch verdient een onsterfelijkheid voor zichzelf, los van Vosmaer en los van zijn beroemdere neef.