Nederland gaat ten onder aan kustbebouwing en college-Engels

Opinie Zaterdag benoemden zeven fractievoorzitters in NRC de Nederlandse kernwaarden. Ze bleven steken in deugden, terwijl taal en landschap Nederland pas echt maken tot wat het is, schrijft socioloog Warna Oosterbaan.

Bebouwing langs de kustlijn van Egmond aan Zee. Foto Koen van Weel/ANP

Godsdienstvrijheid, het poldermodel, gelijke kansen, de vaderlandse geschiedenis, handelsgeest en zo zijn er nog een paar nationale deugden die de fractieleiders in onze aandacht aanbevelen. NRC gaf de politici zaterdag de gelegenheid die begrippen in te kleuren. Die „identiteitspolitiek” zou weleens het thema kunnen worden van de volgende verkiezingen, meenden de schrijvers van het artikel.

Als dat zo is, dan is het merkwaardig dat twee zeer typisch Nederlandse kernwaarden steeds over het hoofd worden gezien: de inrichting van het Nederlandse landschap en de Nederlandse taal.

Het Nederlandse landschap is uniek, nog

Eerst het land. Het Nederlandse landschap is uniek. Daarvoor zijn drie bekende oorzaken. Ten eerste de bijzondere ligging, in een rivierdelta. Dat gaf dat gebied een bijzonder karakter: vlak, vruchtbaar, waterrijk en gunstig voor handel en scheepvaart. De mensen die zich hier vestigden, zagen zich gedwongen maatregelen te nemen tegen het oprukkende water. Met dijken, molens, vaarten en sluizen schiepen de Nederlanders nieuw land, het tweede bijzondere kenmerk.

Ten slotte is er het centrale overheidsbeleid dat van Nederland een heldere ruimtelijke structuur maakte. Nog steeds is Nederland een voorbeeld voor planners en stedebouwkundigen. Ondanks de hoge bevolkingsdichtheid zijn de groene ruimten tussen de steden nog niet volgebouwd, is de kust nog niet bedolven onder toeristenaccommodaties en is lintbebouwing een zeldzaam verschijnsel in Nederland. Mooier aangelegde wegen, zorgvuldiger geplande woonwijken en gewaagdere waterwerken vind je nergens anders.

Kortom, er zijn nogal wat factoren die ertoe hebben geleid dat het Nederlandse landschap een bijzonder en herkenbaar karakter heeft. Dat karakter openbaart zich aan iedereen die er woont of verblijft, ook aan nieuwkomers. En omdat het zo consistent is en omdat het zo duidelijk de sporen van de geschiedenis draagt, werkt het als een voortdurende geheugensteun. Het land is doordrenkt van het Nederlandse en door erin te bewegen word je Nederlander, of leer je wat het is om Nederlander te zijn. Maar daarvoor is nog iets nodig: de Nederlandse taal. Die taal geeft toegang tot het Nederlandse cultuurgoed, tot de Nederlandse media en tot discussies over allerlei onderwerpen. En nog belangrijker: tot andere Nederlanders. Nederland is vooral een taalgemeenschap. En net als het landschap werkt de taal als een terloopse maar zeer effectieve overbrenger van het Nederlandse: hoe Nederlands zouden we zijn zonder de Nederlandse taal?

Zou het door dit soort vanzelfsprekendheden zijn dat je politici zelden hoort over de taal en de inrichting van het land? Omdat iedereen het wel eens is over het belang ervan?

Was het maar waar. Zowel het land als de taal wordt door de politiek aan zijn lot overgelaten. Bij de formatie van het eerste kabinet-Rutte (2010) verdween ruimtelijke ordening uit de naamgeving van de ministeries. Daarmee werd erkend dat die activiteit al een jaar of zes was gedecentraliseerd: naar de provincies en de gemeenten. Centrale regie werd niet meer nodig geacht.

Zo langzamerhand worden de gevolgen van die beslissingen duidelijk. Gemeenten en projectontwikkelaars zagen hun kans schoon en hebben het land overdekt met industrieterreintjes, bedrijvenparken en kantoorgebouwen. Bij veel gemeenten ontbreekt de deskundigheid om plannen te beoordelen of ze te maken, provincies bieden te weinig tegenspel. Het Groene Hart was ooit een rijksbufferzone, maar is nu overgeleverd aan de bouwlust van een groot aantal gemeenten. Nog maar kortgeleden moesten protesterende burgers minister Schultz van het idee afhelpen dat een bouwverbod in de kustgebieden best geschrapt kon worden. De minister is nu aan het uitzoeken wat de burgers met de kust willen – een eigen idee erover heeft ze blijkbaar niet.

Dat alles is des te bedenkelijker omdat de inrichting van Nederland voor zware opgaven staat. De komende veertien jaar komt er een miljoen Nederlanders bij. Die moeten ergens wonen. De overgang naar andere energiebronnen (de ‘energietransitie’) zal vooral zichtbaar worden op het platteland: windmolens, zonneakkers, biovergisters. Maar welke gemeenteambtenaar kan die plannen nog beoordelen? Ook is het twijfelachtig of de lagere overheden wel tegenspel kunnen bieden aan de „europeanisering” van de Nederlandse ruimtelijke ordening. Het Planbureau voor de Leefomgeving wees er twee jaar geleden op dat steeds meer EU-richtlijnen consequenties hebben voor de inrichting van ons land en dat alleen de rijksoverheid een gesprekspartner kan zijn voor Brussel.

En met de taal gaat het ook niet goed

Dan de taal. De problemen zijn bekend. In Nederland hebben tweeënhalf miljoen mensen moeite met lezen, schrijven en rekenen, berichtte de Algemene Rekenkamer dit voorjaar. Een kwart miljoen is zelfs analfabeet. Studenten in het hoger onderwijs kunnen hun moedertaal steeds slechter schrijven. Een reportage in NRC gaf daar schrijnende voorbeelden van. Tegelijkertijd wordt op de universiteiten inmiddels 60 procent van de studies in het Engels gegeven, zo bleek onlangs uit onderzoek van de Volkskrant. Wetenschappelijke artikelen en dissertaties, ook over puur Nederlandse onderwerpen, worden in het Engels geschreven, en blijven buiten het zicht van het Nederlandse publiek. Zelfs op het Meertens Instituut, dat zich toelegt op onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur, worden de seminars inmiddels in het Engels afgewikkeld.

Lees ook het opiniestuk van Louise O. Fresco: Wij kunnen nog wat leren van de Engelse taal

De rijksoverheid voert nauwelijks een taalbeleid. Taalachterstanden worden te weinig of op de verkeerde manier bestreden, oordeelde de Rekenkamer. Over het oprukkende Engels op de universiteiten heeft de minister van Onderwijs nog geen duidelijk standpunt ingenomen. De publieke omroep besteedt vrijwel geen aandacht aan de Nederlandse taal – terwijl de televisie het medium bij uitstek zou zijn om de taalvaardigheid en de belangstelling voor taal op een hoger plan te brengen.

Het land en de taal. Er zijn geen onderwerpen die zó Nederlands zijn. Er zijn ook geen kwesties die zich zó goed zouden lenen voor identiteitspolitiek. Maar er zijn weinig dingen waarvoor zó weinig aandacht is.