Kunstenaar op zee

Rebecca Moss, een 25-jarige Britse kunstenaar die enige roem heeft vergaard met absurdistische filmpjes, is door een galerie in Vancouver de wereldzeeën op gestuurd onder de kop: ‘23 days at see’.

De 23 dagen zijn inmiddels voorbij, maar Moss is nog altijd op zee, voor de kust van Japan. De rederij die haar meenam, Hanjin Shipping Co., is tijdens de reis failliet gegaan. Geen haven laat de gigantische containerschepen van Hanjin daarom nog langer toe. Onzeker is immers of het bedrijf de prijs voor het aanmeren kan of wil betalen.

Moss dobbert. Ze haalde daar het wereldnieuws mee, van The Wall Street Journal tot CNN.

Af en toe kan ze e-mailen via de satelliet, op de computer in het kantoortje van de kapitein. Ze schreef aan een journalist van The Vancouver Sun dat de situatie „bijzonder absurd” en ook „stom” is. Tevens vindt ze het verbazingwekkend dat de spullen in de containers kennelijk gemist kunnen worden. „Een tragische verspilling van arbeid.”

De journalist vertelt haar, niet zonder bombast, dat hij haar situatie ziet als een „perfect voorbeeld” van „een grote mondiale gebeurtenis met een individuele impact”. Hij vraagt Moss of ze door deze gebeurtenis met een herdefinitie van globalisering komt.

Haar geschreven antwoord: „Daar moet ik even over nadenken.”

Mij lijkt dit een „perfect voorbeeld” van een gemiste kans om een journalist op zijn nummer te zetten. Want heeft niet iedere grote mondiale gebeurtenis invloed op individuele levens? Neem het Bosman-arrest op individuele voetballers, de uitvinding van de auto op individuele koetsiers of de Tutsi-haat van Hutu’s op individuele Tutsi’s. Enzovoorts.

Oké, als Moss zo’n antwoord te flauw vindt, kan ik wel iets anders voor haar bedenken. Zoals een lichte relativering van het bijzondere van haar situatie. Want wat maakt die eigenlijk anders dan die van de 2.500 bemanningsleden die in dienst van Hanjin Shipping Co. momenteel ergens op de wereldzeeën dobberen?

De Spaanse kunstenaar Santiago Sierra heeft zo’n relativering eens gegeven, die tegelijk iets zegt over het belang dat de wereld kunstenaars toedicht. Hij kreeg eindeloos vragen over de ‘vernedering’ die hij mensen toebracht door hen vier uur betaald in een doos te laten zitten. „Interessant dat jullie daarover zoveel vragen stellen,” zei hij: „terwijl jullie totaal niet geïnteresseerd zijn in het lot van de suppoost die acht uur lang vlak naast de doos moet staan.”

Pieter van Os schrijft wekelijks over gekrakeel in de kunst