‘Kunst is ook een wetenschap’

Interview Janneke Wesseling

Als hoogleraar Praktijk en Theorie begeleidt Janneke Wesseling in Leiden kunstenaars die willen promoveren op hun eigen werk. Maandag houdt ze haar oratie.

©

Kunstenaars die promoveren – Janneke Wesseling zag er tien jaar geleden nut en noodzaak nog niet van in. Frans de Ruiter, hoogleraar in de Kunsten bij de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Leiden, vroeg haar in 2008 of ze wilde meehelpen bij het opzetten van een vierjarig programma om kunstenaars te begeleiden bij hun promotie-onderzoek. Voor musici bestond toen al de mogelijkheid om te promoveren.

Wesseling, sinds 1982 kunstrecensent bij deze krant, was toen als lector verbonden aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Wesseling: „Ik vroeg me af waarom kunstenaars zouden moeten promoveren.” Inmiddels is ze zelf benoemd tot hoogleraar Praktijk en Theorie van het Onderzoek in de Beeldende Kunsten in Leiden en zijn twintig promovendi ingeschreven bij PhDArts, het instituut waarover zij de leiding heeft. Maandag houdt ze haar oratie.

Waarom vindt u nu dat kunstenaars moeten kunnen promoveren?

„Strikt genomen hebben ze weinig aan een doctorstitel, maar bij sommige kunstenaars bestaat behoefte om te reflecteren op hun eigen werk. Dat alleen al vind ik reden om ze de mogelijkheid te geven promotie-onderzoek te doen. Een betere theoretische onderbouwing van hun werk kan helpen in hun verdere loopbaan. En kunstenaars die gepromoveerd zijn, komen internationaal ook eerder in aanmerking voor een docentschap.”

Karel Appel zei dertig jaar geleden nog: ‘Ik rotzooi maar wat an.’ Waar komt die behoefte vandaan bij hedendaagse kunstenaars om te reflecteren op hun werk en er zelfs op te promoveren?

„Uit de conceptuele kunst. John Baldessari zei decennia geleden al: ‘Doing art is questioning how to do it.’ Dat vind ik de kortst mogelijke omschrijving van wat artistic research is. Je bevraagt je eigen manier van werken, en dat vind je eigenlijk interessanter dan het eindresultaat. Dat kunst en wetenschap gescheiden zijn, is pas rond 1900 gebeurd. Tot die tijd was er de Koninklijke Nederlandse Academie van Kunsten en Wetenschappen. De kunsten zijn er eind 19de eeuw uitgekieperd. Wij hebben ze in Leiden weer teruggebracht waar ze horen.”

Wat voor soort kunstenaars zijn het die bij jullie promoveren?

„Ze hebben vaak al een jaar of vijf à tien een kunstenaarspraktijk. Zij voelen behoefte om daarop terug te blikken en een theoretische inbedding voor hun werk te vinden. Er melden zich nu zo’n vijftig mensen per jaar aan en daar nemen we er gemiddeld drie tot vier van aan.”

Is het onderzoek dat kunstenaars doen vergelijkbaar met dat van wetenschappers?

„Wat is wetenschap? In sommige exacte disciplines betekent het dat je een hypothese opstelt, experimenten doet en dat de uitkomsten van dat onderzoek herhaalbaar zijn. Dat is een heel conventionele opvatting van wetenschap. Het onderzoek in de geesteswetenschappen is in grote mate speculatief. Ik heb geleerd om in discussies met mijn promovendi dat hele begrip ‘wetenschappelijk’ te vermijden. Want je trekt een doos van Pandora open. Iedereen heeft er een andere opvatting over. Waarmee ik niet wil zeggen dat het onderzoek dat onze kunstenaars doen, niet wetenschappelijk zou zijn.”

Aan wat voor eisen moet hun promotie-onderzoek voldoen?

„Allereerst moeten de kunstenaars aantonen dat ze zelfstandige onderzoekers zijn. Dat klinkt nogal vanzelfsprekend, maar dat is toch een heel ding. Je moet ze zover zien te krijgen dat ze op een gegeven ogenblik zelf dat onderzoek verder kunnen brengen. Dat ze zelf de goede vragen kunnen bedenken en een methode om onderzoek te doen. Het tweede is: ze moeten hun onderzoek op een kritische manier in de context plaatsen. Dat betekent dat ze moeten weten tot welk veld van onderzoek ze zich verhouden en waar zij zichzelf in dat veld bevinden.”

Kunt u een voorbeeld noemen?

„Neem Jonas Staal, die als het goed is volgend jaar zijn promotie-onderzoek afrondt. Hij heeft Henk te Velde als een van zijn promotoren, een historicus die vooral thuis is in politieke geschiedenis. Voor Jonas, die momenteel als kunstenaar een parlement bouwt in Rojava, de autonome Koerdische regio in Noord-Syrië, is dat onderzoeksveld van Te Velde heel relevant. Dus hij moet laten zien wat hij daarbinnen doet als kunstenaar en met wie hij in gesprek is, wie zijn peers zijn. Hij is geen historicus, hij is een kunstenaar. Ook dat zal hij moeten kunnen uitleggen. Hij moet laten zien hoe zich dat verhoudt tot zijn kunstpraktijk.”

Moeten jullie promovendi ook een dissertatie schrijven?

„Dat is de derde eis waaraan ze moeten voldoen: ze moeten een eindproduct leveren dat een oorspronkelijke bijdrage levert aan het veld van kennis. Waar een promovendus normaliter een proefschrift schrijft, moeten zij nieuwe kunst produceren en een tekst die daar een duidelijke relatie mee heeft. Neem Ruchama Noorda, die in december promoveerde. Zij is opgegroeid in een antroposofisch gezin en heeft onderzocht wat de relevantie was van de reformbeweging op haar kunstpraktijk. Zij heeft een tentoonstelling gemaakt die al het werk liet zien dat ze binnen die context had geproduceerd in de vijf jaar van haar onderzoek. En daar heeft ze ook een proefschrift over geschreven.”

U bent ook nog één dag in de week lector in Den Haag. Wat doet u daar?

„Ik probeer zoveel mogelijk kruisbestuivingen te organiseren met de universiteit. Ik nodig bijvoorbeeld mijn promovendi uit om les te geven aan de kunstacademie, vanuit hun eigen onderzoeksgebied. En ik geef colleges over alle manieren waarop je over kunst kunt schrijven: de recensie, het essay, maar ook kunstzinnige teksten, zoals gedichten en scripts voor performances. Die colleges worden zowel bijgewoond door studenten van de universiteit als van de kunstacademie. Ze zitten samen in de klas.”

De oratie die u maandag houdt draagt de intrigerende titel ‘Of Sponge, Stone and the intertwinement with the Here and Now’. Waar gaat dat over?

„Het gaat over de vraag wat artistic research is en wat nu kenmerkend is voor dit type onderzoek. Wat ik zal betogen, is dat het altijd gaat over zintuiglijke ervaringen. Zelfs in de meest strenge gevallen van conceptuele kunst heb je nog te maken met een ding of een gebeurtenis die je als kunstwerk moet kunnen herkennen en ervaren.”