Echte democratie

Mijn vrouw zat zachtjes te grinniken boven een krantenbericht. Dat viel op want er valt doorgaans niet zoveel te grinniken boven krantenberichten. „Mag ik meegenieten?”, vroeg ik.Ze vertelde dat de rechtsgeleerde Paul Cliteur, hoogleraar te Leiden, samen met Thierry Baudet (eerder bij Cliteur gepromoveerd) in opdracht van de PVV het onderzoeksrapport ‘Echte Democratie’ had opgesteld met als voornaamste aanbeveling: vier keer per jaar een bindend referendum over onderwerpen die de burgers kunnen initiëren.

Het was weliswaar een „onafhankelijk onderzoek” geweest, maar het bijna Noord-Koreaanse toeval wilde dat partijleider Geert Wilders het geheel met de aanbevelingen eens was. Kwam dat even mooi uit! Zo kan Wilders nu zijn ideeën over democratie met rechtsgeleerde steun uit Leiden aan ons opdringen. Een politieke partij zonder leden – dat is voor hem, zoals we weten, pas ‘echte democratie’. Dus misschien eindigt het straks allemaal in een referendum waarbij hij als enige zijn stem mag uitbrengen.

Nu kon ik ook dat opvallende zinnetje van Cliteur, afgelopen zondag in een discussie in Buitenhof, beter plaatsen. Politicoloog Merijn Oudenampsen vroeg hem of hij de PVV als een gevaar voor de democratie beschouwde. Cliteur antwoordde: „De gunstige invloed van de PVV is dat zij de VVD meer op het goede spoor zet.” Kortom, de PVV is geen gevaar, maar juist een zegen voor de ‘echte democratie’: zij corrigeert de dwalingen van andere partijen.

Ik keek nog even na wie Cliteur en Baudet bij hun opzienbarende rapport geholpen hadden. En jawel, een van hen was uiteraard de onvermijdelijke Afshin Ellian, ook rechtsgeleerde in Leiden. Wordt het geen tijd dat Wilders bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden wordt? Hij zou zich er bijzonder thuis voelen.

Toen we uitgelachen waren, moest ik mijn vrouw enigszins tot de orde roepen. „Wil jij niet naar de Tweede Kamer?”, vroeg ik.

„Hoezo?”, vroeg ze, vermoedelijk quasi-argeloos.

„Nou, er is onder PvdA-prominenten weinig behoefte om in de Tweede Kamer te gaan zitten.”

Ze glimlachte kort. „Ik word ook liever bewindsvrouw. Daarna zien we wel verder.”

Toen bracht ik, reuze voorzichtig, weer eens het partijleiderschap ter sprake. Daar bleef grote onduidelijkheid over bestaan. Van Aboutaleb hoorde je al niets meer, die wilde wel in z’n eentje in een gespreid bedje stappen, maar niet in een ijzeren ledikant waar hij eerst Diederik („Rot toch op”) uit moest vechten. En Lodewijk Asscher bleef maar aarzelen, als een verliefde man die geen aanzoek aandurft uit angst afgewezen te worden.

„Wat denk je dat er gaat gebeuren?”, vroeg ik.

Ze talmde. Ze vindt het een vervelend onderwerp, volgens mij omdat ze niet goed weet te kiezen. Haar hart ligt bij Asscher, vermoed ik, maar haar hoofd vindt dat Samsom nog een kans verdient.

„Goed”, zei ik, toen ze bleef aarzelen, „dan zal ik een voorspelling wagen. Asscher doet het niet. Waarom zou hij? Een nederlaag tegen Samsom is het einde van zijn politieke carrière. Hij kan beter geduld oefenen en wachten tot Samsom zelf opstapt.”

Ze keek me kritisch aan. „Weet je het zeker?”

„Zo werkt de echte democratie”, knikte ik.