De Nacht

©

Soms is het geen Pasen maar heb je wel je behoeften, waardoor ik maandagavond met een groep vrienden Jesus Christ Superstar opzette. Na afloop, hees van het meeblèren, ging het over het geloof. Iedere aanwezige was christelijk opgevoed, maar niemand deed er nog wat mee.

„En toch mis ik het soms”, zei een vriend. „Het ritueel, de magie van de preek.” De anderen knikten. Ik ken veel mensen die zogenaamd niets meer hebben met het religieuze, maar wel constant op zoek zijn naar vervoering: via seks, Zuid-Amerikaanse psychedelica of urenlange meditatie. Als kind heb ik hartstochtelijk geloofd: ik bad, las dagelijks de Bijbel en voelde me over alles schuldig. Toen ik ouder werd, besloot ik op eigen houtje verder te gaan. Een kerk hoefde voor mij niet meer. Die had ik niet nodig om mijn naaste lief te hebben als mijzelf.

En toch miste ik de diensten. Ik miste de magie van het gesproken woord, de mysteriën die door de tekst heen schemerden, het gezamenlijk luisteren naar een voordracht. Het alternatief vond ik in de dichtkunst, en het is een van de redenen dat ik nog altijd de Nacht van de Poëzie bezoek. Hij is samen met antibiotica en ecstasy een van de weinige dingen die zijn naam helemaal waar maakt. Van zonsondergang tot zonsopgang wordt er het Woord gevierd.

Aankomende zaterdag zit ik er weer. Hans Dorrestijn, Eva Gerlach en Astrid Roemer zullen enkele predikanten van dienst zijn. Er zal een mis worden opgezegd voor Toots Thielemans. Natuurlijk is het niet helemaal een brave bedoening; daarvoor moet je naar een echte kerk. Sommige dichters worden bijvoorbeeld expres vroeg geprogrammeerd, omdat ze anders te gedrogeerd zijn om nog uit hun woorden te komen. Ook staat het publiek erom bekend zijn eigen drank mee te smokkelen (de moeder van dichter Ingmar Heytze heeft altijd een fles port in haar handtas) en wordt er tussendoor op de gangen gefeest, gedanst en gezoend. Het is geen kerkgang. Maar het voelt als een thuis. Iedereen is welkom. We vieren elkaars taligheid, en dus menselijkheid.

Als ik aan de Nacht denk, komt er vaak een uitspraak van de atheïstische dominee Klaas Hendrikse in me op. Dat God geen wezen is, maar iets wat er tussen mensen kan gebeuren. Dat ervaar ik op zijn sterkst bij poëzieavonden, wanneer een hele zaal wordt gedoopt in het woord. Dat we accepteren elkaar nooit helemaal te zullen begrijpen, maar wel moeite blijven doen om dichter bij elkaar te komen. Dat is mijn geloof. Daarvoor riskeer ik graag enkele jaren knetteren in het vagevuur. Ik kom liever dichter tot mijn medemens, dan tot de kansel.