Bezuinigen was niet echt een keus

PAD Schinkel, Maarten PAD 013

Hadden we beter niet kunnen bezuinigen? Nu de Nederlandse begroting weer op orde raakt – al zijn er wat extra cadeautjes uit te reiken op Prinsjesdag – komt die vraag op. ING kwam woensdag met een analyse die concludeert dat „het snoeien van de tuin wanneer het vriest” misschien toch niet zo’n goed idee was. Er is alles bij elkaar, stelt ING, voor 40 miljard euro gesneden – een ongekend bedrag. Het zou de economie 6 procent groei hebben gekost, maar de staatsschuld is wel weer terug richting 60 procent van het bruto binnenlands product en het begrotingstekort is weer erg laag. Maar misschien had minder snijden de economie wel extra schade gescheeld, en had de hogere economische groei de overheidsfinanciën zelf verbeterd.

Heeft het zin om terug te komen op deze discussie? In principe wel. Zij kan van pas komen bij volgende calamiteiten. Van elke periode in de economische geschiedenis valt te leren. Er is alleen een onoverkomelijk nadeel, en dat mag de ‘veramerikanisering’ van deze discussie worden genoemd. Veel Amerikaanse economen, en zeker niet de eersten de besten, zitten al heel lang in het stimuleringskamp. Maar de Verenigde Staten zijn Europa niet en het heeft weinig zin om een Amerikaanse analyse op Europa los te laten.

Een gecentraliseerde staat kan beslissingen nemen tot bezuiniging of stimulering – en dat was zelfs in de VS af en toe lastig. Het Congres stond meermalen op de rem, omdat de Republikeinse meerderheid de regering-Obama uit principe dwarszat.

Dat was lastig, maar kinderspel vergeleken met de situatie in de eurozone. De Lehmancrisis werd hier versterkt door de eurocrisis. Van gemeenschappelijke standpunten was geen sprake en de staatsschulden van de verschillende eurolanden werden op de beurs tegen elkaar uitgespeeld. Wie denkt dat een land in die jaren zelfstandig een stimuleringsbeleid had kunnen voeren heeft een slecht geheugen. De financiële markten hadden dat, midden in de Europese schuldencrisis, meedogenloos afgestraft. Wat was bijvoorbeeld de vrijheid geweest van de Nederlandse regering? Dat werd in april 2012 overduidelijk toen het gedoogkabinet van premier Rutte viel, en de begrotingsplannen voor 2013 in het water vielen. Op 24 april en 25 april was er geen zicht op een begrotingsakkoord met een Kamermeerderheid.

Nu was het destijds zaak aan de goede kant van de eurocrisis te zitten, en dat betekende dus: in het Duitse kamp. Het renteverschil tussen Duitse en Nederlandse staatsleningen moest zo laag mogelijk blijven. Daar kwam in die dagen abrupt een einde aan.

Het renteverschil schoot omhoog naar het grootste sinds de eerste bange dagen na de Lehmancrisis. En zie: op 26 april wist minister Jan Kees de Jager plots wél een geschrokken gelegenheidscoalitie te smeden tussen partners CDA en VVD en D66, GroenLinks en ChristenUnie.

Bankanalisten waarschuwden vooraf voor een afwaardering van de kredietwaardigheid van Nederland. ING hekelde in zijn uitgave Prophet van 24 april de dreigende „ontsporing van de overheidsfinanciën”. Het is goed dat ING nu openstaat voor een nieuwe discussie, maar destijds behoorde de bank zelf tot de overweldigende meerderheid van financiële instellingen die zuinigheid afdwongen.

Had het anders gekund? Waarschijnlijk niet. De crisis was te complex, de besluitvorming te ingewikkeld en de versplinterende druk van de financiële markten te groot. Had een individueel land als Nederland een keus? Nee. Een discussie hierover is vrij zinloos.

Maarten Schinkel schrijft op deze plek wekelijks over macro-economie en de financiële markten.