Wolkers bevroren in stijf lijnenspel

Turks Fruit

Dick Matena verstripte eerder Jan Wolkers’ Kort Amerikaans. Maar in zijn stripversie van Turks Fruit ontbreken de vitaliteit, de gekte en de seks van Wolkers.

©

Wat is het toch een genot om Jan Wolkers te lezen. De auteur grijpt je in Turks Fruit vanaf de eerste bladzijden bij de strot met zijn bruisende energie, zijn openhartige toon en de waterval aan beeldende associaties. Hij vertelt over zijn ziedende, alles verterende liefde voor Olga en de „vuile gore rotellende” waar hij in terecht kwam nadat zij bij hem wegging. De metaforen zijn geestig, brutaal en inventief. Al op de eerste bladzijde van het boek citeert hij uit een brief van Olga aan hem: „Terwijl ik je schrijf maakt mijn kut zuigende bewegingen als het mondje van een baby.”

Erotische geladenheid

Turks Fruit (uit 1969) heeft de naam te zijn doortrokken van seks. Dat is overdreven, maar wel begrijpelijk. Dat idee kon niet alleen ontstaan door de royale portie expliciete passages, waarin wordt gevreeën. Het is een gevoel van broeierigheid dat de lezer bekruipt door de erotische geladenheid en het plastische karakter van alles wat de ik-figuur, verteller en hoofdpersoon, doet, denkt en ziet. Dat gaat van het „miniatuurberglandschap van gedroogde snot” dat de vader van Olga onder zijn stoel bouwt tot aan de „woekerende wortels” in het hoofd van Olga, de kanker die haar fataal wordt.

Bij zo weinig affiniteit met de sensualiteit, de rauwheid en de lol in vertellen van een schrijver wordt een verstripping een overbodige exercitie.

Een boek dat overloopt van zoveel fascinerende en met zoveel schwung bedachte metaforen moet een cadeau zijn voor een striptekenaar. Maar dat zou je niet zeggen als je afgaat op de stakerige plaatjes die Dick Matena bij zijn vandaag verschenen verstripping van de roman levert. Het is vooral het gebrek aan leven en dynamiek in het tekenwerk dat opvalt. Terwijl het stormt in het gemoed van de hoofdpersoon lijken de figuren op de plaatjes bevroren in een stijf lijnenspel.

Dick Matena (1943), inmiddels de nestor van de Nederlandse tekenkunst, maakte in de jaren zeventig en tachtig furore als tekenaar van experimentele en eigenzinnige strips. Bij het grote publiek maakte hij vanaf begin deze eeuw naam met zijn verstrippingen van klassieke romans, zoals De Avonden van Gerard Reve, Christmas Carol van Dickens, Kaas en Het Dwaallicht van Willem Elsschot en Kort Amerikaans, een andere roman van Wolkers. Hij pionierde door als eerste tekenaar bij de verstripping de integrale tekst weer te geven. Bij De Avonden wist hij met een gestileerd-realistische stijl en stemmige grijstinten de vinger te leggen op de troosteloze sfeer in de roman en Christmas Carol werd opgevrolijkt door Scrooge het uiterlijk van Gerrit Komrij te geven. Maar de vitaliteit van Wolkers in Turks Fruit ontglipt hem.

Overbodige exercitie

Het heeft er ook mee te maken dat Matena koos voor de ouderwetse vorm van de tekststrip, zoals in Marten Toonders Tom Poes en Hans G. Kresses Eric de Noorman, waarbij de tekst niet in balloons of kaders staat, maar in blokken onder de tekeningen meeloopt. Het is een werkwijze die Matena in de jaren zestig leerde kennen als jonge medewerker van de Toonder Studio’s. Hij hoeft nu niet meer al die romantekst op de pagina’s te proppen, maar de toegenomen overzichtelijkheid is een schijnoverwinning.

De dynamiek moet nu komen van de gevarieerde gezichtspunten die Matena inneemt. Dat is in zijn werk één van zijn sterke kanten. Die afwisseling kan een strip de indruk geven filmisch te zijn, maar in dit geval wordt de camera vrij lukraak gehanteerd. Matena kiest bovenmatig veel voor close-ups, die, ook door de geringe nuance in de bruintinten en het roze voor de gezichten, weinig expressie vertonen.

Als de ik-figuur zijn broek dichtmaakt, komt zijn pik in zijn rits vast te zitten. Matena blijft op die pagina dicht bij de gezichten, en profil, waardoor je vooral kinnen en neuzen ziet en niets van de opwinding en gekte.

In het voorwoord prijst Karina Wolkers, de weduwe van de schrijver, de tekenaar omdat hij zo goed de momenten heeft weten te kiezen om te illustreren. Maar dat is nou precies wat er misgaat. Als de hoofdpersoon zijn huurders en hun parkieten uit zijn huis jaagt, slaat hij „met de mattenklopper de parkieten de straat op alsof ik badminton aan het spelen was”. Dat moet een mooi gezicht zijn. Maar Matena tekent eerst alleen maar wat kinderlijke musjes rond het hoofd van de verteller en een plaatje later wijst de ik-figuur de meisjes de deur, waarbij er een badmintonracket achter zijn hand lijkt te zweven.

Bij de eerste ontmoeting tussen de hoofdpersoon en Olga, waarbij zij hem een lift geeft, komt het al snel tot een vrijpartij. Het gevolg is dat het sperma van de autostoel druipt – voor het zingen de kerk uit. Als de ik-figuur zijn broek dichtmaakt, komt zijn pik in zijn rits vast te zitten. Matena blijft op die pagina dicht bij de gezichten, en profil, waardoor je vooral kinnen en neuzen ziet en niets van de opwinding en gekte. Bij zo weinig affiniteit met de sensualiteit, de rauwheid en de lol in vertellen van een schrijver wordt een verstripping een overbodige exercitie.