Verschillende handicaps, dezelfde race. Hoe wordt dat bepaald?

Paralympische Spelen

Op de Paralympics gebeurt het geregeld dat sporters met compleet verschillende handicaps tegen elkaar uitkomen. Is dat wel zo eerlijk?

De Spanjaard Juan Jose Fernandez na de tijdritfinale (C1-2-3) bij het baanwielrennen op de Paralympics in Rio. UESLEI MARCELINO/Reuters

Blij, maar ook een beetje onbevredigend. Zo beschreef baanwielrenster Alyda Norbruis haar gevoel vorige week donderdag nadat ze Nederland de eerste medaille op de Paralympische Spelen in Rio de Janeiro had bezorgd. De 27-jarige Friezin won brons op de 3.000 meter achtervolging, een onderdeel waarop ze in 2014 en 2015 wereldkampioen werd.

Dat ze in Rio niet om het goud meedeed, lag volgens Norbruis voor een deel aan haar tegenvallende kwalificatie. Maar ook het krachtsverschil met tegenstanders speelde een rol, zei ze nadien tegen de Leeuwarder Courant. Om een groter deelnemersveld te krijgen, laat de organisatie van de Spelen op de achtervolging sporters met zwaardere en lichtere beperkingen tegen elkaar rijden. „Jammer”, aldus de 27-jarige renster.

Norbruis is door een hersenbloeding vlak na haar geboorte linkszijdig spastisch en deels verlamd. Ze komt gewoonlijk uit in de klasse C2, de categorie met de op één na zwaarste fysieke beperkingen in het fietsen. De rensters die op de achtervolging het goud en zilver wonnen, rijden normaal gesproken in klasse C3. Hun handicap beperkt ze iets minder bij het fietsen.

Het gebruik van een klassensysteem is bedoeld om paralympische sport eerlijker te maken. Talent, fitheid, tactiek en focus moeten bepalen of een sporter wint, niet de ernst van de handicap. Door met klassen te werken komen sprinters in een rolstoel niet uit tegen sprinters die hun benen kunnen gebruiken. En zwemmers zonder armen niet tegen blinde zwemmers.

Toch gebeurt het op de Spelen regelmatig dat sporters met op het eerste gezicht compleet verschillende handicaps toch tegen elkaar uitkomen, ook zonder dat er klassen zijn samengevoegd. Neem klasse III bij de dressuur. Daarin zitten ruiters zonder armen, maar ook ruiters die blind zijn of een klein postuur hebben. Is dat nog wel een eerlijke strijd? Wie bepaalt welke sporters tegen elkaar uitkomen? En hoe waterdicht is dat systeem?

Meer dan 25 klassen bij atletiek

Wie de Paralympische Spelen in Rio een beetje volgt, ziet in korte tijd tientallen klassen voorbijkomen, elk met een eigen code. Ondanks al die verschillende letters en getallen blijft het aantal handicaps beperkt tot tien, meer worden door het Internationaal Paralympisch Comité (IPC) niet erkend. Naast een visuele of een verstandelijke beperking bestaat dat lijstje onder meer uit amputaties, verlamming en verminderde beweeglijkheid.

Niet elke beperking komt ook in elke sport voor. Aan de hand van die IPC-richtlijn komen alle internationale bonden namelijk nog met regels specifiek voor hun sport. „Zij bepalen voor welke handicaps hun sport geschikt is”, zegt André Cats, chef de mission van de Nederlandse paralympische ploeg, vanuit Rio. “Zo is voetbal specifiek voor mensen met cerebrale parese, spastische mensen in de volksmond. En zwemmen en atletiek is voor alle handicaps.”

Op grond van die selectie vormt de bond verschillende klassen, groepen van mensen met een vergelijkbare handicap. Bij sporten waar slechts een paar beperkingen worden toegelaten, zoals boogschieten, zijn dat er maar drie. Atletiek kent daarentegen meer dan 25 verschillende klassen op de Spelen. Daardoor zijn er bij die discipline ook enkele honderden medailles te verdelen.

Voor elk van die verschillende klassen bestaat een aparte code. Daaruit afleiden om welke sport en beperking het gaat, is voor een leek nauwelijks te doen, zonder de regels erbij te pakken. Maar over het algemeen geldt: hoe lager het getal, hoe zwaarder de handicap. Zo zitten in S1 zwemmers die heel beperkte kracht in armen en benen hebben, en in S10 zwemmers die bijvoorbeeld alleen hun hand niet kunnen bewegen.

Minpunten voor elke beperking

In welke klasse iemand terecht komt, wordt bepaald door een internationaal panel met onder meer artsen en fysiotherapeuten. „Zij kijken welke functionaliteit iemand mist”, zegt Cats. „Soms doen ze dat één keer. Maar bij sporters van wie de handicap kan toe- of afnemen gebeurt dat vaker, meestal elke één tot twee jaar.”

Leidend bij dat indelen is hoeveel nadeel sporters van hun beperking hebben. Daardoor kan het voorkomen dat sporters met heel verschillende beperkingen tegen elkaar uitkomen. „Even simpel gezegd”, legt Cats uit, „geven ze een helemaal valide lichaam honderd punten. Bij zo’n keuring trekken ze dan voor elke beperking punten af. En mensen die hetzelfde aantal punten overhouden, kunnen tegen elkaar sporten.”

Dat bij de ruiters zo veel verschillende handicaps in één klasse voorkomen, heeft echter nog een andere oorzaak, zegt Cats. „Bij die sport beïnvloedt de handicap maar een deel van de prestatie. Je hebt ook nog het paard. Zwemmers hebben zulke ‘hulpmiddelen’ niet. Bij hen is een verschil in handicap veel zichtbaarder. Daarom zijn de handicaps daar ook sterker onderverdeeld.”

Ruimte voor fouten en gesjoemel

Helemaal vrij van discussie is het indelen van paralympische atleten niet. Het is namelijk geen boksen, waar je met een weegschaal kan meten of een sporter licht genoeg is om mee te doen bij het middengewicht, vergelijkt Cats. Er is meer ruimte voor interpretatie. En daardoor worden soms fouten gemaakt.

Een voorbeeld daarvan is de Australische zwemster Jacqueline Freney, die aanvankelijk in de S8-klasse werd ingedeeld, en daar drie bronzen medailles won op de Spelen van 2008. Na een beroepszaak werd Freney later alsnog overgeplaatst naar een klasse voor zwaardere handicaps. Het resultaat in Londen? Acht gouden medailles.

Ruimte voor interpretatie betekent echter ook ruimte om te sjoemelen. De Britse paralympisch atlete Bethany Woodward verweet haar bond onlangs atleten met een lichte handicap toe te laten tot klassen voor zwaardere handicaps. „Vernederd en machteloos” kondigde de winnares van een zilveren medaille in 2012 vlak voor Rio aan te stoppen met sport.

Woodward kreeg bijval van een vader van een andere Britse sporter, die eveneens vermoedde dat atleten met louter spastische symptomen worden toegelaten tot een klasse voor spastische hardlopers. „Als iemand over vierhonderd meter zo’n twintig tot dertig meter voorloopt op de rest, moet je je gaan afvragen hoe spastisch diegene is”, zei hij daarover tegen Sky.

Ook de Nederlandse chef de mission André Cats kan niet uitsluiten dat er gesjoemeld wordt met het indelen van sporters. Maar hij ziet ook dat het Internationaal Paralympisch Comité fel controleert op fraudeurs. Bij elke wedstrijd zijn leden van een keuringspanel aanwezig. „En als je dan iets laat zien wat je bij de keuring niet kon, reken maar dat je problemen krijgt.”

Handleiding classificatie paralympische sporters by Anonymous R0a2CD0Xh on Scribd