Terug op het pluche, graag. Maar liever niet in de Kamer

Rutte II

Veel bewindslieden van Rutte II willen volgend jaar geen Kamerlid meer worden. Ondemocratisch of juist verstandig?

Minister Dijsselbloem (Financiën, PvdA) en premier Rutte (VVD) zijn bereid als Kamerlid terug te komen.

Je hebt geen auto met chauffeur meer. Je moet zelf koffie halen. En je moet het doen met één medewerker in plaats van een paar duizend ambtenaren.

Voor veel oud-bewindslieden voelt het Tweede Kamerlidmaatschap als een stap terug. Volksvertegenwoordiger mag dan staatsrechtelijk een hoger ambt zijn dan minister of staatssecretaris – toch hebben velen van hen er geen zin in.

Dinsdag werd bekend dat slechts drie van de tien PvdA-bewindslieden een plek ambiëren op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. Van de tien VVD’ers in Rutte II hebben zich er vijf aangemeld voor de kandidatenlijst van de Tweede Kamer, inclusief de premier zelf.

De meeste bewindslieden die niet meer in de Kamer willen, zijn wel beschikbaar voor een plek in het volgende kabinet.

Vaak ongelukkige transfers

Acht van de twintig – dat lijkt een schamele oogst. Toch past het in een patroon. De Nederlandse politiek kent geen traditie – zoals bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk – van bestuurders die na hun periode op het ministerie langdurig en succesvol terugkeren in de Kamerbankjes.

De recente geschiedenis telt slechts een handjevol voorbeelden: PvdA’er Joop den Uyl was na zijn minister-presidentschap nog negen jaar fractievoorzitter, VVD’er Frits Bolkestein beleefde na zijn ministerschap op Defensie een bloeiperiode als Kamerlid en politiek leider.

Talrijker zijn de ongelukkige transfers naar het parlement. Ad Melkert (PvdA), oud-minister van Sociale Zaken, was aanvankelijk succesvol als fractieleider, maar werd in 2002 het slachtoffer van de kiezersrevolte van Pim Fortuyn tegen het tweede paarse kabinet.

Het trauma van 2002

Er is wel degelijk sprake van een verschuiving, zegt Joop van den Berg, hoogleraar parlementaire geschiedenis en oud-senator voor de PvdA. Juist bij PvdA en VVD, zegt hij, vond men het traditioneel nooit zo netjes om je alleen maar beschikbaar te stellen als bewindspersoon. „Bij de christelijke partijen zag men het ministerschap altijd al gescheiden van het Kamerlidmaatschap, maar vooral in de sociaal-democratie was de opvatting dat er geen verschil zou moeten zijn tussen die ambten. Het gaat in de politiek niet alleen om besturen, maar ook om handelen vanuit een overtuiging. Dat is als Kamerlid minstens zo belangrijk.”

Wat een rol gespeeld kan hebben, zijn de gebeurtenissen van 2002. Toen hadden VVD en PvdA vrijwel al hun paarse prominenten hoog op de kandidatenlijst gezet – in de vaste verwachting opnieuw in een kabinet te zullen komen. Toen beide partijen een dramatische nederlaag leden, eindigden de meesten van die bewindslieden zoals Melkert: binnen een paar maanden na de verkiezingen hadden ze de Kamer verruild voor een andere baan.

In die zin zijn politici een klein beetje eerlijker geworden – of in ieder geval realistischer. Waarom zou ik mij verkiesbaar stellen, zeggen VVD- en PvdA-bewindslieden in de wandelgangen, als ik weet dat ik toch de Kamer zou verlaten wanneer ik geen minister word? Dat zou ervaren worden als kiezersbedrog.

Voor de kwaliteit van de Tweede Kamer is dat een nadeel, vinden oud-bewindslieden die weer Kamerlid werden. Een oud-minister kan een aanwinst zijn voor het parlement, zegt Klaas de Vries. Hij was in 2002 een van de weinige oud-PvdA-ministers die in de Kamer bleven zitten. Hij merkte dat er nét iets beter naar zijn inbreng werd geluisterd dan voorheen. Ook door andere Kamerleden. „Je krijgt een zwaardere positie. Er zijn altijd wel collega’s die denken: die man weet waar hij het over heeft.”

Knikjes van de ambtenaren

D66-leider Alexander Pechtold heeft als parlementariër een aantal trucs overgehouden aan zijn kortstondige ministerschap in Balkenende II. Hij was een jaar minister voor Bestuurlijke vernieuwing (2005-2006). „Als de minister aan het antwoorden is, let ik op de ambtenarenbankjes. Daar komen de knikjes richting de minister vandaan – soms subtiel, soms iets minder subtiel. Vooral de achterste bankjes, met de laagste ambtenaren in rang. Die hebben de stukken geschreven.”

Toch is het volgens De Vries geen ramp als weinig bewindslieden willen terugkeren in de Tweede Kamer. „Je moet er wel zin in hebben. Anders kun je ook geen effectief Kamerlid zijn.”