PvdA-stemmenkanon zwaait af

Interview Jetta Klijnsma

Opeens was ze het harde gezicht van het kabinet. Maar „de boel moest op orde worden gebracht”.

Jetta Klijnsma tijdens een bespreking over nieuwe pensioenregels. Foto Martijn Beekman / ANP

Als het sociale gezicht van de PvdA stond Jetta Klijnsma bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen op nummer twee – en haalde 192.190 voorkeurstemmen, goed voor 8,2 procent van de PvdA stemmen en ruim drie zetels. Als staatssecretaris van Sociale Zaken in Rutte II werd ze voor een flink deel van haar achterban juist het hárde gezicht van het kabinet: met streng beleid voor bijstandsgerechtigden, een uitgeklede Wajonguitkering voor gehandicapten, strakkere regels voor pensioenfondsen.

Klijnsma wil niet opnieuw Tweede Kamerlid worden, ze heeft zich niet aangemeld voor de PvdA-kandidatenlijst. In haar werkkamer op het ministerie zegt ze: „Ik heb mijn hele arbeidzame leven op of rond het Binnenhof doorgebracht. Ik ben nu 59 en wil kijken wat ik verder kan doen. Als ik nog eens een volle kabinetsperiode in de Tweede Kamer zou gaan, ben ik 64.”

In de ogen van uw achterban heeft u hard beleid uitgevoerd. Vond u het zware jaren?

„In het begin was het gewoon stevig. We zaten in een grote economische crisis en de boel moest op orde worden gebracht. Wat je in de sociale zekerheid steeds had, was dat er méér budget bij moest. We hebben de tering naar de nering moeten zetten, er komt nu minder méér bij. Daar word je niet altijd even populair van, nee.”

Dat de PvdA er zo slecht voorstaat in de peilingen, komt misschien wel vooral door uw beleid. Verlaat u een zinkend schip?

„Nee, ik verlaat mijn partij nooit. Het is altijd zwaar om te regeren in een tijd van economische krapte en bezuinigingen. Dan word je niet enorm bedankt. Maar ik ben al wat ouder en ik heb vaker dikke dippen meegemaakt. We moeten eerst maar eens 15 maart 2017 afwachten.”

U heeft als PvdA-staatssecretaris toch vooral VVD-beleid moeten uitvoeren?

„Nee. Ook ik vind dat mensen die dat kunnen, op de reguliere arbeidsmarkt aan de slag moeten gaan. Je mag ook best van mensen vragen om meer te doen. Maar als je echt heel erg beperkt bent, krijg je een uitkering. Ik vond het begaanbaar voor iedereen. Ik heb me ook ingezet voor armoedebestrijding en ik zie dat daar meer ruimte voor komt. Zolang ik hier zit, zal ik daarvoor blijven knokken.””

U heeft de afgelopen jaren vaak gezegd hoe fijn u het vond om in het lokale bestuur te zitten, als wethouder van Den Haag. Zat u daar niet beter op uw plek dan in het kabinet?

„Ik denk dat ik in het kabinet heel veel heb kunnen doen, maar bij het lokaal bestuur zit je dichter bij mensen. Iedereen weet dat ik dat fijn vind.”

Wilt u nu het lokaal bestuur in? Als burgemeester?

„Dat zou kunnen, ja. Ik zou ook wel weer vrijwilligerswerk willen doen.”

Met wachtgeld?

„Ik zal werken. Ik heb mijn leven lang gewerkt. Alleen na het kabinet Balkenende IV heb ik korte tijd wachtgeld gehad. Toen ik wist ik dat ik de Tweede Kamer in zou gaan.”