IJzervreter

In Amsterdam, op de hoek van de Nieuwe Uilenburgerstraat en Houtkopersburgwal, prijkt een gevelsteen uit 1742 met de beeltenis van een struisvogel met een hoefijzer in zijn snavel. Deze wonderlijke combinatie komt voort uit de middeleeuwse misvatting dat struisvogels ijzer eten en kunnen verteren.

De loopvogel is inderdaad een alleseter, maar heeft een voorkeur voor graszaden, vetplanten en in mindere mate termieten, sprinkhanen en hagedissen. De soort heeft ook een voorliefde voor het oppikken van kleine glimmende voorwerpen. Hiervan zijn ten minste twee getuigenissen. In 1930 werd in de maag van een struisvogel uit de dierentuin van Londen – behalve twee kanten zakdoeken – de halve inventaris van een ijzerwinkel gevonden, waaronder een tien centimeter lange spijker die de vogel fataal werd. In 1946 overleed een op het oog gezonde, jonge struisvogel in een onderzoeksinstituut in Senegal. Bij sectie bleek de maag een klont van 120 gram schroot te bevatten, waaronder ijzerdraad, gespen, munten, schroeven en de sleutel van het hangslot van zijn verblijf.

Het mag duidelijk zijn dat het verteren van ijzer in de struisvogelmaag een fabeltje is. Opmerkelijk is het wel dat struisvogelvlees alom geprezen wordt om het uitzonderlijk hoge ijzergehalte.