Hutu’s en Tutsi’s samen aan het net

Paralympische Spelen Ze weerspiegelen de realiteit van Rwanda: armoede en oorlog. Ze symboliseren ook de kracht om te herrijzen.

Het vrouwenzitvolleybalteam van Rwanda tijdens een een training bij de Paralympische Spelen in Rio de Janeiro. „Iedereen is gelijk, wij willen nooit meer oorlog.” Foto Annemarie Kaptein

„Dames nog één potje kom op! Sandrine pak de bal, jij serveert nu.”

De vastberaden stem van coach Peter Karreman (60) galmt door de sportzaal en vliegensvlug komen de Rwandese zitvolleybalsters in actie. Ze bewegen snel over de vloer. Sommige speelsters hebben één been of alleen een deel van het bovenbeen, anderen dragen een prothese. Ze steunen op ellebogen en handen, behendig bewegen ze vooruit met heupen en bovenlichamen. De bal gaat met een stevige smash over het net. Er klinkt gejuich en heel hard ‘Nziza!’ de vreugdekreet in het Kinyarwanda, de voertaal in Rwanda.

Coach Karreman, in blauw T-shirt met grote letters ‘Rwanda’, klapt in zijn handen. „Ik ken inmiddels al een paar woorden in hun taal maar daar blijft het ook bij”, lacht hij.

Karreman is een vrolijke, rustige man en sinds een paar jaar de coach van het Rwandese vrouwenzitvolleybalteam. Het team – bestaande uit twaalf speelsters tussen de 18 en 25 jaar, waarvan steeds zes geselecteerd worden om aan de wedstrijden mee te doen – is in Rio voor het eerst op de Paralympische Spelen.

Karreman is in het dagelijks leven interim-manager bij een ICT-bedrijf. In Nederland trainde hij sinds 1969 diverse volleybalteams net onder het hoogste niveau. Jaren geleden stapte hij over naar de paralympische sport zitvolleybal. Toen hem in 2010 werd gevraagd die sport verder te ontwikkelen in Rwanda, moest hij eerst op de kaart kijken waar het Afrikaanse land precies lag.

„Vervolgens hoefde ik niet lang na te denken en ben erheen gevlogen”, vertelt de Gelderlander. In Rwanda loodste hij in 2012 eerst het mannenteam naar de Paralympische Spelen in Londen. Met het vrouwenteam werd hij vorig jaar in de aanloop naar Rio al kampioen van Afrika.

Armoede en bloedige strijd

„Deze meiden hebben allemaal een verhaal”, zegt Karreman terwijl hij vanaf de zijlijn de speelsters nauwlettend volgt in hun spel. „De speelsters die je hier ziet op het veld, zijn een weerspiegeling van de realiteit van Rwanda: de armoede, de slechte gezondheidszorg, de erfenis van de bloedige strijd tussen de Hutu’s en de Tutsi’s in de jaren negentig. Maar ook het vermogen en de kracht om weer te herrijzen”, zegt Karreman.

Aanvoerster Liliane Mukobwankabo (27) komt even bij van de intensieve training en neemt een slok water. Ze is met de groep al vroeg in de ochtend met een bus vanuit het atletendorp naar het militaire terrein van de Braziliaanse luchtmacht gebracht, waar trainingslocaties zijn ingericht. In een gloednieuwe sportzaal hangt het strak gespannen volleybalnet, bij het zitvolleybal uiteraard stukken lager dan bij reguliere volleybal.

„Het is geweldig om hier in Rio te zijn”, zegt Liliane. „Kijk eens naar dit prachtige veld waar we op spelen.” Ze streelt met haar hand over de grond. „Zo mooi en glad! In Rwanda spelen we op ruw cement met vuile netten.”

Bij een auto-ongeluk in haar kinderjaren verloor ze een been. Het waren de jaren na de genocide, toen het hele land in puin lag. Ze kreeg na het ongeluk geen goede verzorging in het ziekenhuis, er waren nauwelijks artsen en geen medicijnen. De wond ging ontsteken en uiteindelijk moest haar been geamputeerd worden.

„Ik ben een van de velen bij wie dit is gebeurd”, vertelt Liliane. „In Rwanda ben je als gehandicapte niets waard. Ze leven op straat, bedelend voor eten.” Rio kan daar verandering in brengen. „Door onze successen worden we gewaardeerd en komen we op televisie ”, zegt ze.

Verderop op de bank strekt Claudine Murebwayire (24) haar prothese naar voren en masseert haar linker bovenbeen. Haar verhaal is tekenend voor een van de bloedigste massaslachtingen in de hedendaagse geschiedenis. De genocide uit 1994, toen in ruim drie maanden tijd naar schatting tussen de 500.000 en een miljoen Hutu’s en Tutsi’s werden vermoord. „Tijdens de oorlog was ik een peuter”, vertelt ze met zachte stem. „Er was een aanval in ons dorp. Ik herinner me weinig maar ik weet dat ik op de vlucht was met mijn familie toen er een bom ontplofte. Daarbij heb ik een been verloren.”

Zowel Hutu’s als Tutsi’s maken nu deel uit van het zitvolleybalteam. Maar dat speelt volgens haar geen enkele rol meer, decennia na de oorlog. „Soms is er verdriet, nog steeds over de oorlog en het verlies, maar het sporten werkt troostend. We slepen elkaar erdoorheen. Iedereen is gelijk, wij willen nooit meer oorlog.”

Vrienden uit de hele wereld

Voor Karreman was het als trainer essentieel om de achtergrond van ‘zijn’ vrouwen te leren kennen. Hij trok naar de gebieden waar de speelsters wonen. „Veel van hen wonen in afgelegen dorpen zonder stromend water en nauwelijks eten. Er zijn ook meiden die het wat beter hebben en studeren. Maar de universiteitscampus bestaat uit barakken waar ze met twintig man wonen.”

In Rio kijken de speelsters volgens de coach hun ogen uit. „Ze genieten van de luxe in het atletendorp, een eigen kamer, stromend water.” Door het succes is de Rwandese overheid bereid meer te investeren. Het team kreeg recentelijk een toelage van 500 euro, in Rwanda is daar minstens een half jaar goed van te leven.

Dan roept Karreman zijn team bijeen. Tijd om weg te gaan. De Iraanse zitvolleybalsters, gekleed volgens islamitische voorschriften, staan te popelen om te trainen. „Dat vind ik het mooiste van de Spelen”, zegt aanvoerster Liliane Mukobwankabo. „Je maakt vrienden uit de hele wereld.”