Het geluidloze gillen van de vogel davert door het huis

Februari, Maxim 8 2013 040

Soms heb je zoveel geleerde teksten gelezen dat de geleerdheid in je hoofd klem is gaan zitten als een kast in de bocht van de trap. Maatschappelijke organisaties proberen de zaak weer in beweging te krijgen door met geweld nog een extra rapport of advies tussen de kieren van je brein te slaan, maar de boel zit muurvast. Alleen een kat – het kleinste onderwerp van de literatuur – kan door de smalle opening glippen die nog tussen traptrede en kast zit, tussen de frontale hersenkwab en het schrijven.

De kat maakt van de penibele situatie dankbaar gebruik. Sterker nog, ze denkt er recht op te hebben dat alles om haar draait. Verwend als ze is, ervan overtuigd dat alles gebeurt zoals zij het wil. De deuren die vanzelf open gaan, de gekookte vis die uit de lucht precies op haar bord komt vallen.

Buiten in de tuin heeft ze zojuist haar machtige poot in de lucht gestoken en een merel uit het niets tevoorschijn getoverd. Na wat stoeien en ravotten heeft ze hem naar binnen gebracht, en nu verbaast ze zich. Geen intellectuele verbazing is het, maar een biologische. Ze wist eigenlijk niet dat dit was wat ze wilde. Ze zwaait een luie poot in de richting van de in stilte gillende vogel.

Voor de vogel is dit geen klein onderwerp. Zijn rechtervleugel is door de kat half van zijn lichaam gerukt, zijn kop staat vreemd scheef en valt met geen mogelijkheid meer terug te draaien. In een laatste opwelling van ontkenningsdrift heeft hij zich tegen de wanden van de hal gegooid, bloed stroomt in rode slingers langs het witte behang, kots en spog zitten in vegen over de kelderdeur gesmeerd. Hij ziet het vaag vanuit zijn geelomrande oog en hij begrijpt dit niet. Of, begrijpen is een groot woord voor een vogel. Hij wist niet dat dit kon. Hij doet het voor het eerst, dit sterven, en door de ondraaglijke pijn blijft hij ergens halverwege het proces steken.

Onderaan de trap in de hal staat een vermoeide man. ‘Long nose / silly clothes / no paws / useless claws.’ Zo heeft een Amerikaanse kat hem ooit beschreven, in een bundel van Paul Gallico, en dat is behoorlijk raak getypeerd. Hij staat daar volkomen nutteloos en onbruikbaar. Raar stilleven in de hal; tussen het geluidloze krijsen, het bloed, het bont en de wuivende poot is de bewegingloosheid van de man nog het aller vreemdste.

Buiten is de wereld prachtig. Het zijn de nadagen van de zomer; de bossen zijn vol, en al rijp, met een hint van herfst en de geur van zwarte peper, stallucht en vanille. Op de slotgracht rondom het kasteel dobberen watervogels. Het hallucinerend lichtgroene tapijt van het kroos is versierd met wit dons dat hemels oogt, maar dat waarschijnlijk het restant is van een jonge eend. Gepakt door een van de roofvogels die je spiedend ziet hangen boven het landschap. De prooidieren zijn dit jaar langzamer dan anders. Misschien een ziekte, zeggen de boeren.

De man denkt na, want dat is wat hij nu eenmaal doet. Al heeft hij wel visioenen van zichzelf als handelend wezen. Hij overweegt soms een geweer te kopen en dat dan in de achterbak van zijn auto te leggen, voor het geval hij ’s nachts een zwijn aanrijdt op een verlaten bosweg en het dier fatsoenshalve uit zijn lijden moet verlossen. Door zijn hoofd tolt het romantische beeld van zichzelf als heilbrenger. Verlosser met een geweer. Als hij nu een geweer had, zou hij op de vogel schieten.

De kat is intussen heel tevreden geraakt over zichzelf. Daar heeft ze reden toe, want ze heeft de natuur aan haar kant. En niet alleen dat. Ook kunst en cultuur staan achter haar, burgers aanbidden haar, kunstenaars begunstigen haar met odes. Dichters zeggen dat de kat net zoveel van haar naaste houdt als van God. Deze vroomheid blijkt dan uit het feit dat de kat met haar prooi speelt en zo een kans geeft te ontsnappen. Eén op de zeven keren weet de prooi die kans ook te benutten, „for one mouse in seven escapes”. De kat ligt zelfvoldaan in de hal en geeft speels een dreun op de kreperende vogel; als de man een beweging maakt, vat ze dat op als bemoediging.

De vogel schreeuwt, maar er komt nog steeds geen geluid. Hij slaat wild met zijn vleugels, maar hij stijgt niet op. Zijn kop op de gebroken nek snakt naar adem, hij is vergeten hoe mooi hij net nog op de nok van de schuur zat te fluiten. Het stilleven in de hal explodeert, het geluidloze gillen van de vogel davert door het huis, het bloed stroomt wild langs de wanden. De ongevaarlijke man komt dichterbij, hij denkt aan zijn geweer en aan het witte dons op de frisgroene slotgracht. Totdat hij eindelijk niet meer denkt en doet wat hij moet doen: ziende dat de dood niet wil komen, wordt hij de dood zelf.