Mannen mogen Zuid-Soedan niet meer uit

Gevluchte Zuid-Soedanezen melden plunderingen, schoten en honger. „Spijtig dat we onafhankelijk zijn geworden.”

Foto Isaac Kasamani/AFP

Een bestelbusje uit Zuid-Soedan rijdt Oeganda binnen met een groep vluchtelingen. Allemaal kinderen. „Het Zuid-Soedanese leger houdt de mannen tegen”, vertelt de chauffeur.

„Die mogen het land niet uit.”

Het is elf uur in het Oegandese grensstadje Elegu en sinds zonsopgang zijn er vierhonderd Zuid-Soedanezen gearriveerd. Sinds in juli de burgeroorlog in Zuid-Soedan oplaaide, zijn honderdduizend vluchtelingen de grens overgestoken. Vele anderen weken uit naar Ethiopië en Kenia. In Zuid-Soedan raakten anderhalf miljoen burgers ontheemd. De helft van de bevolking van twaalf miljoen kan niet meer zonder voedselhulp.

De VN noemen het een noodsituatie.

Plattelandsbewoners vlak over de grens vertellen over hun angst voor Zuid-Soedanese regeringssoldaten. Zij gaan de huizen langs om jonge mannen op te pikken die ze beschuldigen van steun aan rebellen. Ze vertellen ook over plunderingen door het regeringsleger, over ongedisciplineerde rebellen en over rovers die vrachtauto’s met voedsel overvallen.

„Overal stropen krijgers het land af”, zegt boerin Sunday Ngawana.

„Hun vijand is de burgerbevolking. De ene groep stal alles uit mijn woning, de andere groep nam mijn overgebleven spullen af toen ik naar Oeganda ging.”

Ook vanuit de Zuid-Soedanese hoofdstad Juba, vijf uur rijden van de grens, blijven de vluchtelingen binnenstromen. Het zijn veelal ambtenaren en zakenlieden. Een vrouw in een galajapon en haar vier dochters in roze en azuurblauwe assepoesterjurken lopen achter een hevig zwetende Oegandees aan die hun spullen in een kruiwagen draagt.

Ze worden gevolgd door de zakenman Jackson Elamein. „In Juba plunderden soldaten alles uit mijn winkel”, zegt hij. „Na de gevechten begin juli heb ik het een paar weken aangezien, maar er vallen daar geen zaken meer te doen. Het is te onveilig in Zuid-Soedan.”

President Salva Kiir en legerleider Paul Malong verjoegen begin juli vicepresident Riëk Machar, hun rivaal met wie ze een vredespact hadden gesloten. Machar liep wekenlang met zijn mannen naar Congo en dook onlangs met blessures aan zijn benen op in de Soedanese hoofdstad Khartoum.

In Juba zwijgen nu de wapens, maar heeft de bevolking te lijden onder honger en hyperinflatie. In alle delen van het land vinden schermutselingen plaats tussen aan Machar gelieerde rebellen en het regeringsleger en is er sprake van gewapende anarchie door milities of bandieten. In Zuid-Soedan heerst geen orde meer.

Tekst gaat verder na de video:

Regeringssoldaten omkopen

Jackson Elamein kwam onder vuur toen hij met het openbaar vervoer Juba verliet:

„De chauffeur wist bij iedere wegversperring regeringssoldaten om te kopen, zodat de mannen mochten passeren. Maar toen kwam de bus van twee kanten onder vuur van mannen in uniform. We kropen weg, lieten de gewonden achter en legden de rest van de reis te voet af.”

Vijf passagiers kwamen om bij de aanval op de bus.

Machar trok bij zijn vlucht door het gebied rond de stad Yei. De bevolking betaalt nu een hoge prijs voor de wraak van de overheid. Dat is een bittere ironie, want dit deel van Zuid-Soedan was juist ontsnapt aan het geweld van tientallen jaren oorlog. De afgelopen week kwamen dagelijks tweeduizend Zuid-Soedanezen Oeganda binnen. Het leger van Salva Kiir en Paul Malong beschuldigt jongeren in Yei van hulp aan Machars soldaten.

„Leraren, boekhouders en handelaren, iedereen uit Yei is daarom op de vlucht”, vertelt een VN-medewerker. Op de wegen naar Yei rijden auto’s regelmatig in hinderlagen. De voedselsituatie in de stad is nijpend. Onbevestigde berichten maken melding van lijken in de rivier. De overheid schermt Yei af voor hulpverleners en journalisten.

Waar moet ik heen?

Patrick is vijftien jaar oud en afkomstig uit een dorpje vlakbij Yei. Beteuterd kijkt hij naar de stroom vluchtelingen, naar degenen die naar hotels in de Oegandese hoofdstad Kampala reizen en de armeren die zich in overvolle kampen vestigen. „Waar moet ik naartoe?”, vraagt hij zich af. „Ik ken hier niemand. Ik zat op school toen de gevechten uitbraken. Later bleek iedereen in mijn dorp gevlucht. Al weken probeer ik mijn ouders te bellen. Ze nemen niet meer op.

De telefoon van zakenman Elamein rinkelt. Zijn vrouw, die al eerder vluchtte, heet hem welkom in het vluchtelingenkamp in Oeganda. Hij schudt zijn hoofd. „Dat het ooit zo snel bergafwaarts zou gaan met onze jonge natie”, zucht hij. „Malis Bashir, sorry Bashir”, zegt hij over de president van het gearabiseerde Soedan, waartegen de Zuid-Soedanezen een halve eeuw streden tot ze in 2011 onafhankelijk waren, om toen onderling slaags te raken.

„Het spijt me, Bashir, dat wij onafhankelijk zijn geworden.”