Ik lach niet meer mee om racistische grapjes

Opinie Als kind schaamde Anjuly de Geus zich als ze werd uitgemaakt voor ‘die bruine’. „Maar ik laat me niet meer alles zeggen.”

Foto Istock

“Vieze Turk!” Ik ben een jaar of 8 en ik zit op de wip, in een speeltuin tegenover het huis van mijn oma. Achter mij staat een jongetje met een uiterlijk dat in de categorie Turks zou kunnen vallen. Even denk ik dat iemand deze kreet naar dit jongetje schreeuwt en haal opgelucht adem. Het gaat niet over mij.

Dan hoor ik het opnieuw: „Vieze Turk! Ik wil op de wip!”

Het jongetje met het schijnbaar Turkse uiterlijk heeft het tegen mij. Ik klauter meteen van de wip en ren huilend naar huis, waar ik ademloos snikkend vertel wat er is gebeurd. De verontwaardiging die ik van mijn ouders verwacht, blijft uit. Ze moeten een beetje lachen en zeggen dat ik wat meer van me af moet bijten.

Toch is dit een van de weinige gebeurtenissen uit mijn jeugd die ik me makkelijk voor de geest kan halen.

Ik kom uit een gemengd gezin; moeder Surinaams, vader Nederlands. Racisme is iets waar ik me als kind nauwelijks bewust van was. Voor mij was mijn gezin normaal. Ik was hetzelfde als mijn witte vriendjes en vriendinnetjes. Toch waren er keren dat ik me heel ongemakkelijk voelde.

Als ik bij een vriendinnetje thuis was en ze hadden het over „die bruinen” bijvoorbeeld. Of die keer dat ik er door een moeder uit de buurt van werd beschuldigd dat „die bruine” (ik) vast de bodywarmer van haar dochtertje had gestolen. Of die ene keer dat we met een groepje kinderen buiten speelden en er een kiezeltje het glas van de voordeur van een overbuurman raakte. Ik verwachtte, toen hij naar buiten kwam gestormd, dat hij ons allemaal een uitbrander zou geven. Gek genoeg pakte hij alleen mij aan: „Waarom rot je niet op naar je eigen land?! Dan kan je daar de boel kapotmaken!”

Iedere keer als zoiets gebeurde, trok een golf van schaamte door me heen en stond ik met mijn mond vol tanden.

Hoe ouder ik werd, des te zeldzamer werden dit soort aanvaringen. Ik, met mijn 99,9 procent autochtone vriendengroep, mijn liefde voor André Hazes en andijviestamppot en met mijn ergernissen over bepaalde groepen allochtonen, werd bijna het Turkse jongetje dat ‘Vieze Turk!’ riep: hypocriet.

Mijn complete identiteit is Nederlands. En toch bekruipt me steeds vaker het gevoel dat ik er niet meer helemaal bij pas. Want als Nederlands zijn inhoudt dat ik weer dat meisje ben dat haar mond dichthoudt, meelacht met de zogenaamd leuke racistische grapjes, dan wil ik dat niet meer. Dan ben ik maar flauw. Ergens tegenin gaan betekent mijn veilige positie opgeven. Ik was altijd de ‘Maar jij bent anders’-allochtoon, of de ‘Jij bent toch helemaal geen allochtoon’-allochtoon, maar hoe vaker je van je laat horen, des te vaker laten anderen van zich horen. Het laat de lelijke kant van mensen zien die ik eerst aardig vond.

Ik ben Nederlands. Ik zou willen dat meer mensen die zich buitengesloten voelen net zo veel van dit land zouden houden als ik. Ik pas voor de slachtofferrol, maar ik laat me niet meer alles zeggen. En dat assertieve, een beetje van me af bijten, lijkt me nou net een ontzettend Nederlandse kwaliteit.