Het onzekere lot van kunst op straat

Omgevingskunst

Het is het meest bedreigde onderdeel van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Verreweg de meeste omgevingskunst wordt gesloopt. Maar het tij lijkt te keren.

Omgevingskunstwerk van Peter Struycken in de voetgangerstunnel van het oude station van Breda. Dit deel is inmiddels gesloopt. Foto gemeente Breda

De sloopvergunning was al afgegeven, behoud was kansloos. Het treinstation van Breda werd de afgelopen jaren zo ingrijpend verbouwd dat de aanwezige kunst niet gered kon worden. Het was te ingewikkeld, want het door Peter Struycken ontworpen omgevingskunstwerk uit 1973 was compleet versmolten met het voormalige stationsgebouw: betegelde kiosken, een abstracte bestrating, betonnen panelen als windschermen op het spoor en betegeling van vloer en wanden van een lange voetgangerstunnel.

Bij dit soort omgevingskunst, waarvan Struycken de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordiger is, is behoud vaak onmogelijk, juist doordat het opgaat in de omgeving: een golvend ontworpen parkeerterrein, dynamische lichtwerken, pleinen en gevels. Toch liep in Breda de verwachte sloop anders. De kunstenaar vertelt dat een kritische inwoner, de heer Van den Berg, de boel aan het rollen bracht. Voormalig wethouder Akinci pleitte voor behoud, architect Van Velsen ging mee, zelfs erfgoedvereniging Heemschut – in 1911 opgericht ter bescherming van het middeleeuwse stadsgezicht – kwam in het geweer. Een deel van het werk werd gered en is nu te zien te midden van een gloednieuw station: twee geel-blauw-zwart betegelde kiosken van Struycken, tijdelijk omheind om opgeknapt te worden, als herinnering aan een voorbije tijd.

Omgevingskunst is het meest bedreigde hoofdstuk van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Volgens Struycken is zo’n 80 tot 90 procent van zijn werk in de openbare ruimte ernstig verwaarloosd of gesloopt. En hij is dan nog een museaal gelauwerde beroemdheid. Wat te denken van minder bekende kunstenaars die, net als hij, in de jaren zeventig een nieuw soort kunst op straat mogelijk maakten?

Want al zou je het niet snel afzien aan het betonnen stoeptegeluiterlijk van sommige werken, omgevingskunst was destijds een radicale kunstvorm. Het begon in een tijd dat kunst veel in beweging was. In 1966 opende de kunstacademie in Arnhem de afdeling ‘Monumentaal Nieuwe Stijl’, met kunstenaars Struycken en Berend Hendriks als hoofddocenten. Kunstenaars waren er moe van om altijd maar achteraf ergens een kunstwerk op te plakken. Dat kon beter. En zo gingen kunstenaars meedenken in bouwprocessen en planologie. Nederland bouwde volop en de nieuwe omgevingsvormgevers hadden genoeg werk. Tot in de jaren negentig ontwierpen ze heuveltjes en parkeerplaatsen, ruimtelijk geplaatste objecten, gedecoreerde wanden die bouwkundig geïntegreerd werden. Het idee van Mondriaan, dat kunst overbodig zou worden als heel de wereld één kunstwerk werd, werd werkelijkheid.

Later bleek dit een pyrrusoverwinning. „De kunst was zo goed geïntegreerd dat niemand meer zag dat het kunst was, die lichtlijnen en betonnen verhogingen”, aldus filosoof Siebe Thissen, auteur van het dit jaar verschenen boek Beelden. Door die ultieme integratie wordt veel omgevingskunst weer snel gesloopt – stoeptegels of parkeerplaatsen restaureren is niet vanzelfsprekend, slopers herkennen dat niet als kunst. Het publiek evenmin. „Kunst, hier?”, reageren Zoetermeerders in winkelcentrum Buytenwegh als je vraagt naar de twee zwarte sculpturen van David Vandekop die er dertig jaar stonden – huizenhoog, en toch over het hoofd gezien. Een gevelreliëf van André Volten, ook een belangrijke beeldhouwer, aan het Rotterdamse kantoorpand waar architectenbureau OMA is gevestigd, werd door de winterschilder ‘meegenomen’ in de schilderwerkzaamheden. Om maar niet te spreken over de schoolkunst van de jaren zeventig: bijna alle ludieke betonnen objecten op schoolpleinen zijn inmiddels vervangen door schommels en rubbertegels waarop je gerust kan vallen. Zoiets merkte ook het Haags Gemeentemuseum, dat een speeltoestel van Constant wilde laten bouwen voor diens tentoonstelling dit jaar, wat vanwege regelgeving niet kon doorgaan. Kunst is belangrijk, melkgebitjes ook.

Vanwege haar verregaande integratie heeft omgevingskunst het zwaarder dan de monumentale wederopbouwkunst van daarvoor: ook architectuurgebonden – mozaïeken, muurschilderingen – maar beter als kunst herkenbaar. Daarvoor springen burgers eerder op de bres dan voor omgevingskunst. Bovendien kun je in wederopbouwkunst, met gezinnen in de zon en opwaartse diagonalen, nog enige volksverheffing zien, bildung, het overdragen van een maatschappelijk ideaal. Niet in omgevingskunst. Ze schiep ontmoetingsplekken, dat wel, maar het was zakelijk, vormgeving. „Omgevingskunst is net zo functioneel bedacht als straatmeubilair”, stelt Jeroen Boomgaard, lector Art & Public Space aan de Rietveldacademie. „Van een lantaarnpaal kun je ook niet houden.”

Ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed legde de afgelopen jaren aandacht op de periode tót 1965, met publicaties en de website helpwandkunstopsporen.nl, waarop betrokken burgers wederopbouwkunst kunnen aanmelden. En in zijn artikel ‘Omgevingskunst, een visuele fopspeen’ noemde Dirk van Weelden in deze krant in 1994 Arnhemse Schoolkunst „de terreur van middelmatige en stompzinnige kunst”.

Nostalgie

Weinig liefde dus, maar het tij lijkt te keren, niet alleen in Breda. Met sloop ontstaat schaarste, met schaarste komt nostalgie, en bovendien is sinds 1 juli dit jaar de nieuwe erfgoedwet van kracht. Simone Vermaat van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE): „Samen met de nieuwe omgevingswet maakt de erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Ook gebouwen jonger dan vijftig jaar kunnen sinds 2012 een monumentenstatus krijgen. Met deze nieuwe wet kan een interieur in samenhang met een rijksmonument worden aangewezen als ensemble.” Al blijft behoud lastig, ook met deze wet. Het Rijksmuseum exposeerde onlangs ontwerpschetsen van Herman Hertzberger voor zijn beroemde gebouw van Centraal Beheer in Apeldoorn, maar het pand zelf wordt bedreigd: leegstand. Dus wat nu?

Vermaat ziet een kentering in de interesse: „Na onze aandacht voor de wederopbouwperiode doemen nu de jaren zeventig op aan de horizon.” De RCE oriënteert zich op de periode 1965-1990 als nieuw studiegebied voor de overheid om te beschermen – zoals behoud van betonexperimenten. Dat het idee van erfgoed verjongt, bevestigt ook Norman Vervat van Heemschut, dat zich steeds meer bezighoudt met naoorlogse monumentale kunst: „Dit varieert van omgevingswerken van Struycken tot bijzondere glas-in-loodramen uit de jaren vijftig. Een belangrijk gevelreliëf van Berend Hendriks in Waalwijk staat bijvoorbeeld op de nominatie om volgende maand gesloopt te worden.”

Ter bescherming van kunst in de openbare ruimte pleitte Rijksbouwmeester Floris Alkemade eerder dit jaar voor een landelijke database, omdat er geen overzicht bestaat. Vervat schat dat in de decennia na de oorlog misschien wel 100.000 à 200.000 kunstopdrachten in de gebouwde omgeving zijn gerealiseerd – maar de meesten wagen zich niet aan schattingen. We hebben eigenlijk geen idee. Ook niet van wat weg is.

Wie graag nog omgevingskunst wil zien, kan op de fiets springen en rondkijken. Want het is er nog wel. Bijvoorbeeld in Zoetermeer. Destijds toneel van planologische experimenten – galerijflats, dekwoningen, bloemkoolwijken – is het een openluchtmuseum voor omgevingskunst: betonnen bollen op het trottoir, palen met gekarteld plexiglas, stalen kinetische sculpturen. Zoetermeer verwelkomde in de jaren zeventig en tachtig kunstenaars, ook om creatief mee te denken in de stedenbouwkundige inrichting van wijken. Van een oriënterende praatgroep herinnert Struycken zich vooral een inspraakavond waarop het idee voor een park met vijver werd getorpedeerd door een mevrouw die onmiddellijk het gevaar van verdrinkende kinderen naar voren bracht.

Ook in Zoetermeer moet kunst soms wijken. De tweedelige sculptuur van David Vandekop is verplaatst naar de nieuwe woonwijk Oosterheem. In de geest van het werk staat het opnieuw bij een treinbaan. Andere kunst op drift, uit bijvoorbeeld afgeschreven schoolgebouwen, krijgt vanaf oktober 2017 een plekje in het stadhuis, dat verbouwd wordt. Daar wordt het getoond als collectie, verhalend over de stad die in 1962 als groeikern was aangewezen. „Net als in Almere heb je hier een trouwe bevolking van bewoners die zich de eerste inwoners voelen. Beeldende kunst werkt dan als ankerpunt”, aldus de afdeling Samenleving.

Kees Verschuren, die een groot ruimtelijk ontwerp maakte op het Dobbe-eiland in Zoetermeer – inmiddels gesloopt – zegt dat door omgevingskunst de aandacht voor de omgeving is gegroeid. „Kunstenaars gingen zien hoe de gebouwde omgeving een poëtische betekenis kan krijgen. Doordat zij dit uitdroegen als gastdocenten aan ontwerpersopleidingen, zijn architecten en planologen daar ook aandacht aan gaan besteden. Dat heeft de beeldende kunst bewerkstelligd.”

Soms is sloop begrijpelijk, vindt ook Struycken, behalve als het gebeurt door desinteresse. Dat ziet hij niet bij particuliere opdrachtgevers, zegt hij, wel bij overheden. Maar: „Ik vind bedenken en realiseren zo aantrekkelijk dat ik het vooruitzicht van vernietiging op de koop toe neem.” Er zijn zelfs reddingspogingen van gehavende werken, door derden, waarbij hij aandringt die moeite niet te doen. „Ik maak liever wat nieuws.”