Blèèèèh!

Mensen met kleine kinderen, vooral ouders van baby’s, hebben een veel zwaarder leven dan anderen. Jarenlang heb ik niet naar hun gezeur willen luisteren, veinsde ik interesse als ze foto’s lieten zien en zorgde ik dat ik zo snel mogelijk uit hun buurt was. Ik ergerde me als ze hun nageslacht meesleepten naar feestjes of terrassen. Alles onder het motto: dat weet je van tevoren, val mij er niet mee lastig.

Met zo’n houding krijg je de rekening een keer gepresenteerd.

Vrijdagavond vond ik mezelf op een borrel opeens terug in een groepje jonge ouders, die mijn transformatie van onvermoeibare caféheld tot wat ik nu ben met interesse volgden. De een zag er nog verfomfaaider uit dan de ander. We hadden elkaar via sociale media in de gaten gehouden, maar waren vooral nieuwsgierig naar de verhalen achter de opgepoetste werkelijkheid.

Waren zij ook uitgeput?, vroeg ik naar de bekende weg.

„Ja, en ben jij nu ook eindelijk moe?”, vroeg een vriendin die ik al langere tijd niet meer had gezien omdat ze sinds ze moeder was domweg verdwenen leek. Ze zei het maar eerlijk: ze was blij dat mijn dochter nu ook eens ziek was geweest, omdat ze het bij ons laatste bezoekje heel irritant had gevonden dat ik meerdere malen heel nadrukkelijk had gezegd hoe gezond of ze wel niet was. Zelf hadden ze er toen al weken met doorwaakte nachten op zitten. Het had gevoeld als een klap in het gezicht met een theedoek waarvan ik het uiteinde bewust nat had gemaakt.

Dus ze wilde er alles over horen.

Over hoe wij panikeerden toen de leidsters van de kinderopvang onverwachts belden om te zeggen dat we de dochter moesten komen halen, en vooral over de onderlinge irritaties toen we dat klusje op elkaar probeerden af te schuiven. Een ander die ik kende als onvermoeibaar pr-verlengstuk van een uitgeverij, vertelde over zijn nieuwe leven met een tweeling die grommend op hem afkroop zodra hij na een werkdag de deur opende, en zijn vrouw die dan met overslaande stem riep: „Zo, en nu mag jij!”

Ik lachte en was bijna vergeten hoe oninteressant we ons als groepje voor de onvermoeibare anderen, die deze fase al hadden verdrongen of nog niet hadden meegemaakt, stonden te maken. Bijna, want opeens was er dan toch een afgezant uit de andere wereld. Ze kwam erbij staan en vroeg: „Het gaat toch niet over kinderen, hè?” Na het antwoord op die vraag volgde een langgerekte ‘blèèèèh’.