‘Je mag me niet vragen of ik iemand vermoord heb’

Joop Gottmers (53) stond met een pistool tegen zijn slaap toen God voor de deur stond. Nu heeft hij zijn naasten lief, ook de mensen die zijn geloof één grote act vinden.

Joop Gottmers (53). Foto Koos Breukel

Op 3 mei 1998, de dag dat Joop Gottmers 35 jaar wordt, zet hij een pistool tegen zijn slaap. Dit is wat er op dat moment zo ongeveer door zijn hoofd spookt: ‘Ik heb alles gehad. Twaalf auto’s, tweehonderd vrouwen. Ik heb het allemaal gezien, beleefd, en meegemaakt. En nu ben ik alles kwijt. Ik ben door alles en iedereen vernederd en belazerd.’ Hij denkt aan zijn dochter. ‘Sorry Melanie, jij bent beter af zonder mij.’ Hij snuift een laatste lijn cocaïne. ‘Drugs, gefeliciteerd. Je hebt van mij gewonnen. Dag Joop, hallo hel.’

Joop Gottmers (53) heeft zijn donkerblauwe Citroën haastig geparkeerd op een terreintje vlakbij de Euromast. Een half uur geleden is hij begonnen met praten en niet meer opgehouden. Hij heeft een gesigneerd exemplaar van zijn boek meegenomen. Knock-out, staat er op de omslag. Het verhaal van Joop Gottmers: kickbokser en ex-drugscrimineel.

Als het aan hem had gelegen, was dat hele boek er nooit gekomen, zegt Gottmers. „Als mensen ernaar vroegen, zei ik: sodemieter op man, ik heb helemaal geen zin om een boek te schrijven. Zonde van mijn tijd.” Maar ja, toen was er ineens een happy end en kon hij niet meer weigeren. En toegegeven: „Het is toch wel een vet boekje geworden. Al die momenten zaten maar in mijn hoofd. Een chaos. Ik ben niet getraumatiseerd, daar ben ik niet het type voor. Maar nadat ik dit boek heb geschreven kwam er ineens een lijn in mijn leven.”

Een rovershol

Dat leven begon hier niet ver vandaan. Gottmers tilt een gespierde, bruinverbrande arm op en wijst over het grijze water van de Nieuwe Maas naar Katendrecht. ‘De Kaap’, zoals de Rotterdammers het schiereiland noemen, stond in de jaren zestig bekend als een rovershol. Je vond er kroegen, tattooshops, prostituees. Er kwamen zeelieden van over de hele wereld. Zijn vader, Leendert Gottmers, had er drie cafés.

„Wacht even hoor. We staan hier wel heel onchristelijk.” Gottmers parkeert zijn auto opnieuw, dit keer keurig in het vak. „Als ze mijn kenteken natrekken, schrikken ze zich te barsten.”

„Laatst nog…” Een twinkeling schittert in zijn helblauwe ogen. Hij was op weg naar een afspraak, zegt de navigatie ineens: ‘keer om’. Dus hij zet ’m eventjes op de vluchtstrook, gevarenlichten aan en alles. Wat denk je: politie. Een vrouwelijke agent, ook dat nog. „Zo meneer, u heeft aardig wat op uw kerfstok”, had ze gezegd nadat ze wel een kwartier was weggebleven. „Da’s allemaal oude koek, hoor”, had hij geantwoord. „Ik geef tegenwoordig lezingen en daar ben ik nu onderweg naartoe. Ik kan het alleen effe niet vinden.”

In 2000 begon Gottmers als ervaringsdeskundige voorlichting te geven over drugsgebruik. Inmiddels houdt hij zich daar al veertien jaar fulltime mee bezig. Hij heeft een stichting opgericht, bedoeld om zijn levenservaring te delen en het evangelie van Jezus Christus te verspreiden, en dat is inmiddels een fulltime baan geworden. Morgen vliegt hij naar Zweden voor een survivaltocht met „mensen die zijn vastgelopen”. Vandaag volbrengt hij zijn opdracht dichter bij huis: voor het Rotterdamse Leger des Heils geeft hij een kickboksclinic. Gottmers kijkt even op zijn goudkleurige Bulgari-horloge. Tijd zat.

Een supercrimineel word je niet zomaar. Dat is iets wat Gottmers graag wil overbrengen. Het is een kwestie van allerlei factoren die samen een giftige mix vormen. Een vader die weinig anders doet dan drinken, vechten, vreemdgaan en je moeder als boksbal gebruiken is al een behoorlijk slecht begin. Zijn leven, zegt Gottmers, stond altijd in het teken van knokken. Problemen loste je op met geweld, hij wist niet beter. Als achtjarig jochie moest hij op boksles om van zich af te leren slaan.

Pas jaren later, na heel veel therapie, zou Gottmers begrijpen hoe het kon dat hij, een ielig ventje uit Rotterdam met nul talent, een meedogenloze vechtmachine werd. Als je gepest wordt op school en geen relatie hebt met je moeder, is dat natuurlijk een superafwijzing. Dan besluit je op een dag: iedereen zal mij geweldig gaan vinden. Al zijn bokswedstrijden, zegt Gottmers, won hij puur omdat hij doodsbang was. Niet voor zijn tegenstander, maar voor het publiek. „Ik was ziekelijk onzeker.”

Superveel geld verdienen

Verdovende middelen waren nooit ver weg. Maar als je denkt dat hij in zijn jonge jaren gebruikte, dan zit je er helemaal naast. Hoewel hij tijdens zijn bijbaan als nachtclubportier genoeg doorgesnoven types voorbij ziet komen, is Gottmers zelf als twintiger anti-drugs. „Als ik iemand zag snuiven, dacht ik: wat ben je aan het dóén man? Je longen! Ik was een sportman, ik dronk nog geen koffie met cafeïne erin.”

Dat verandert op de dag dat een bevriende sportschoolhouder uit Bergen op Zoom hem verrast met een mededeling. „Joop, ik kan aan een partij hele goede cocaïne komen. En ik vind jou de geschikte persoon om dat te gaan verkopen.” Tot zijn eigen verbazing zegt hij niet direct nee. Hij vraagt twee weken bedenktijd en zegt dan: „Kom op, we doen het. We verkopen dat spul.” Waarom? Die vraag kan hij na honderdduizend keer nog steeds niet goed beantwoorden. Waarschijnlijk, denkt Gottmers, ging hij de drugshandel in omdat hij iedereen een sukkel vond die drugs gebruikte. „Ze deden het toch zelf? Ik douwde het niet in hun neus hoor. En ik kon daar superveel geld aan verdienen. Was dat vet of niet? Ja, toch?”

De criminaliteit is als drijfzand: voor je het weet zit je er tot je nek toe in. Hoewel ze zichzelf niet als criminelen beschouwen, doen Gottmers en zijn compagnon binnen no time zaken door heel Europa en werken ze samen met de kopstukken van de Nederlandse onderwereld. De cocaïne wordt ingeruild voor Marokkaanse hasj – hoger rendement, minder gedoe. De zaken gaan goed, heel goed zelfs. Het geld stroomt binnen. „Soms verdienden we wel 50.000 gulden. Per uur.”

In 1992 overlijdt zijn vader. „Mijn hele leven draaide om die man, om zijn genegenheid en goedkeuring. Nu hoefde ik ineens aan niemand meer verantwoording af te leggen.” Het gaat bergafwaarts. Gottmers is inmiddels verslaafd aan de ‘witte suiker’ die hij vroeger zo verafschuwde. Het is zo alomtegenwoordig dat er geen ontkomen aan was. Wat begon met een grammetje per maand om vrouwen in bed te krijgen, is al heel snel een gewoonte geworden. De drugs – coke, amfetamine – zijn er bovendien in overvloed. Het levert hem een nieuwe bijnaam op: Jopie Dopie.

Na zijn eerste keer in de gevangenis – vier jaar cel voor amfetaminehandel – is zijn vrouw van hem gescheiden. De dochter die hij daarna kreeg met zijn nieuwe verslaafde vriendin, krijgt hij nauwelijks te zien.

Is dit de man die later kerken, scholen, gevangenissen en verslavingscentra zal afreizen om over Jezus Christus en de gevaren van drugs te vertellen?

Het zou dom zijn te vragen of hij weleens iemand heeft vermoord

Terug naar 3 mei 1998, de dag dat Joop Gottmers een kogel door zijn hoofd wilde schieten.

„Het is bijna 09.00 uur en ik wil de trekker overhalen. En dan: Trrrring. De deurbel gaat. Daar staan al mijn leerlingen, om mij te feliciteren voor m’n verjaardag. Ze zouden om half elf kickbokstraining van me krijgen en dachten: nu ligt-ie vast nog te slapen. Nu kunnen we hem verrassen.”

Dat moment is achteraf gezien het moment geweest dat God in zijn leven heeft ingegrepen, zegt Gottmers na afloop van de kickboksclinic bij een groot bord nasi. „Het was alsof Hij zei: ‘Zo Joop, ik heb je lang genoeg laten aanrommelen. Nu mag je met mij verder. Je hoeft je niet meer te bewijzen.’”

Een ontmoeting met een antiekverkoper brengt hem een paar maanden later definitief op het spoor van het geloof. „Ik was op de vlucht, het halve Nederlandse politiekorps zat achter me aan. En die man zegt ineens uit het niets tegen mij: ‘Jij hebt geen rust hè? Je kent God niet.’” De antiekverkoper vraagt hem mee naar bijbelstudie. Gottmers lacht hem uit en stemt dan in. Wat heeft hij te verliezen? De zeven maanden erop zal hij geen bijeenkomst overslaan.

Natuurlijk zijn er mensen die denken dat hij gek is geworden. Mensen die hem nu mijden, of roepen dat zijn geloof één grote act is. En geef toe, zegt Gottmers terwijl hij een tweede bord nasi opschept, ergens is het best komisch dat hij, een supercrimineel, voor klassen met kinderen op een schoolbord staat te schrijven. Maakt het hem boos, dat anderen hem belachelijk maken? Gottmers schudt zijn hoofd. „We moeten – en dit staat in de Bijbel hè, het is niet mijn tekst – onze naasten liefhebben. Wie het ook is: een broeder of een crimineel, het geldt voor iedereen. Ook voor vijanden.”

Om te onderstrepen hoezeer hij het christendom heeft omarmd, wil hij de interviewer graag iets voorleggen.

„Bestaan er domme vragen? In principe niet hè, maar toch kan ik er één bedenken.”

Het zou heel dom zijn, zegt Gottmers, om te vragen of hij weleens iemand heeft vermoord. „Ten eerste mag je me die vraag niet stellen, want liegen mag niet en zo zou je mij dus dwingen het jou te vertellen. Ten tweede zou het een retorische vraag zijn, want ik heb zo veel drugs verkocht dat het niet anders kan dan dat er mensen door mijn toedoen zijn overleden.” Na een korte stilte: „Maar het antwoord is nee, ik heb nooit iemand vermoord. Niet direct. Dat is me gelukkig bespaard gebleven.”