Gedichten met vertederende open plekken

Zowel formeel als inhoudelijk zet Mischa Andriessen (1970) in zijn nieuwste bundel Dwalmgasten voort wat hij sinds zijn debuut Uitzien met D succesvol doet: nevelige gedichten schrijven die subtiel gelaagd zijn en een grote openheid kennen. Hij intensiveerde dat procedé in Huisverraad (2012) en gaat nu nog een stapje verder. Dwalmgasten ligt zo volledig in de lijn der verwachting.

De nevels zorgen voor veel dubbelzinnigheid. Andriessen vertelt geen vastomlijnde verhalen. Zijn gedichten zitten vol open plekken; momenten waarop dingen of personages zich vaagjes aftekenen door de mist heen. ‘Je loopt – er is niets / in het donker van het bos / dat je niet kent en ook nu / zilver bijgelicht niet eerder zag.’

©

De betekenis van deze verhalen is evenmin eenduidig. De gedichten laten parabel-achtige lessen doorschemeren. Andriessen waakt voor expliciete moraliserende boodschappen. Liever laat hij de sterk mythische inslag van de gedichten voor zichzelf spreken. Afgezien van overduidelijke verwijzingen naar de klassieke Oudheid – in titels als ‘Philemon en Baucis’ en een motto ontleend aan Ovidius’ Metamorfosen – vinden we op diepere niveaus genoeg referenties naar oude verhalen die nog steeds tot de verbeelding spreken. In ‘Route’ volgen we een man die ‘het onbestemde pad / van bedwelmde mannen, hese sirenen’ volgt. Als hem gevraagd wordt of hij verdwaald is, ‘lacht hij teer, ik geloof van niet’. In dat gedicht klinkt het verhaal van Odysseus door. Niet alleen vanwege de bedwelmde mannen en de hese sirenen, maar ook door de reis die voor een dwaling aangezien wordt. ‘Wat voor hem ligt, is weg’ opent Andriessen het gedicht aforistisch.

De beweging van binnen naar buiten is een constante in Andriessens oeuvre. Werden in eerdere gedichten(bundels) personages nog naar buiten gedreven, nu drijven ze zichzelf en anderen uit elkaar.

Vader stond buiten voor de deur.

De zoon stuurde hem weg, wachtte

lange dagen tot hij terugkwam

verjaagde hem telkens opnieuw

maar keek bij elke terugkeer langer.

Deze zo nu en dan tegengestelde bewegingen worden door Andriessen het treffendst en meest vertederend gethematiseerd in de dwaling. Bewustzijn en irrationaliteit vinden elkaar in dolende karakters:

Je verdween en keerde terug

ging weer blind joelend op in

je wilde spel van wegraken,

vluchten en je pakken laten.

De bundel opent met een vraag van Ovidius: ‘Heet het dwaling als een man verdwaalt?’ Die klinkt continu door: hebben we te maken met grotere krachten die ons drijven, of zorgt onze eigen handelings(on)bekwaamheid daarvoor? Of beide? Op het snijpunt van persoonlijke (in)competentie en mythische krachten onderzoekt Andriessen de buigzaamheid van het menselijk handelen.