Een wonderlijk ouderwetse roman

Wie durft er nog te beweren dat Franse auteurs geen grote verhalenvertellers zijn? Een paar jaar geleden debuteerde biologieleraar Alexis Jenni met de vuistdikke roman In tijden van oorlog, waarin hij de koloniale geschiedenis van Frankrijk, aan de hand van een paar kleurrijke personages, bij de kop pakte. Voormalig docent Jean-Marie Blas de Roblès publiceert om de paar jaar een lijvige, historische avonturenroman, en nu is er Mathias Menegoz (1968), een biochemicus, die in de debuutroman Karpathia gaat voor de grote historische greep.

Karpathia begint in de winter van 1833, in een Weens koffiehuis, als de jonge graaf Alexander Korvanyi het opneemt voor de eer van een jonge vrouw op wie hij verliefd is. Hij daagt de beledigende partij uit voor een duel. Nog vóór het tweegevecht doet hij de dame in kwestie, de adellijke Cara van Amprecht, een aanzoek, dat zij aanvaardt. Eer, traditie, familie, eeuwenoude rituelen, klassieke normen en waarden – die gaan in dit milieu, in die tijd, voor alles.

Alexander verlaat op verzoek van zijn geliefde het leger van de Habsburgse keizer en vestigt zich op de familielanderijen in Transsylvanië. Zijn bezittingen liggen ver van Wenen, in een bergachtige streek met dorpen bevolkt door Magyaren, Saksen en Vlachen, waar de een Hongaars spreekt, de volgende Duits en de derde Roemeens.

Onderling heerst er wantrouwen en onbegrip, jaloezie en minachting, er wordt gesjoemeld, gestroopt, gesmokkeld en gevochten. In dit voor hem onbekende krachtenveld waant de jonge graaf zich, op grond van de familietraditie, heer en meester en gedraagt hij zich als een olifant in de porseleinkast. In no time heeft hij door zijn arrogante onwetendheid oude vetes aangewakkerd, partijen tegen elkaar opgehitst en blijft er van het familiekasteel een ruïne over.

Wonderlijk ouderwets is deze roman, alsof er sinds de 19de eeuw geen surrealisme en geen nouveau roman is geweest, geen psychologie en geen globalisering. Menegoz gaat terug naar uitgesponnen beschrijvingen, naar het brede historische kader, naar een klassieke alwetende verteller. Zijn held is een kasteelheer met dito pretenties, die naadloos leeft volgens de principes die zijn vader hem heeft ingeprent. Hij voegt zich in de feodale tradities, huldigt archaïsche inzichten die het niet lang meer zullen redden. Zijn gebrek aan zelfkennis, twijfel en inzicht maken hem tot een tragische figuur. Vergeleken met Korvanyi zijn de personages van Flaubert, Balzac en Stendhal revolutionair.

Wat wil Menegoz met zijn boek? Wil hij iets kwijt over de tijd waarin we leven, een tijd waarin het verleden veelal in nevelen gehuld blijft en alleen het heden telt? Pleit hij voor traditie en aandacht voor onze geschiedenis? Of heeft hij vanuit zijn verbeelding een vervlogen tijdperk willen scheppen dat ons het heden juist doet vergeten? In dat laatste is hij in ieder geval geslaagd.