Debutant Jente Posthuma wens je stilistische durf van Maartje Wortel toe

boeken

Jente Posthuma en Maartje Wortel kozen allebei een jonge vrouw als ik-persoon. Posthuma’s debuut gaat vooral over de gekte van anderen. Wortel schreef een wild verhaal over een eigenaardige vader en een overleden moeder.

Iedereen is gek, in de wereld van de hoofdpersoon van Mensen zonder uitstraling, behalve zijzelf. Neem nou de buurvrouw, in deze anekdote bij zonnig weer: ‘Toen stak de buurvrouw haar hoofd boven de heg uit. „Lekker hè?” riep ze. Ze was pedagoog.’ Het staat er niet, maar de suggestie van dat laatste zinnetje is: raar mens. En haar vader, die zich als psychiater dagelijks omringt met ‘gekken’, is zelf ‘ook al niet zo goed gelukt’ – al maakt die zin niet duidelijk of de hoofdpersoon dat zelf vindt of dat ze vooral haar moeder napraat.

De naamloze hoofdpersoon veroordeelt niet met zoveel woorden, maar des te scherper tussen de regels door. Het handelsmerk van de debuutroman van Jente Posthuma (1976) zijn de droge, tikje afstandelijke zinnen waarmee de ik-persoon mensen en situaties neerzet. Ze lijken genoteerd met de onverstoorbare blik van de puber die alles doorziet en zich beter voelt dan de rest. Koeltjes, maar dodelijk, en ook grappig.

©

Posthuma schrijft trefzeker: elk woord voelt betekenisvol op zijn plek gezet. Om die reden begin je ook met hoge verwachtingen en enthousiasme aan haar debuut, maar echt een goed boek wordt Mensen zonder uitstraling pas later. Aanvankelijk lijkt het verhaal over de jonge vrouw telkens opnieuw te beginnen, zij het met een ander beginpunt, op een later moment in de tijd. Elk hoofdstuk lijkt geschreven als kort verhaal – in die gedaante verschenen er ook verschillende in literaire tijdschriften. Geslaagde verhalen, maar achter elkaar gezet gaan de hoofdstukken zich herhalen. Telkens weer vreemde types in alledaags-malle situaties, telkens anekdotes die geschreven zijn op de pijnlijke lach. Telkens weer de (jonge) vrouw die het leven ondergaat en daaronder lijdt. Weinig ontwikkeling. Je denkt ook: zó geschift zijn die mensen toch niet. Ze zijn vooral knullig, onhandig, menselijk. Die ik-persoon is gewoon een beetje puberaal.

Haar tragiek voel je pas later, als ze onderkent dat ze toch niet zo ‘normaal’ is: ze kampt met neuroses. Bovendien wordt dan steeds prangender duidelijk dat haar vroeg overleden moeder nog steeds een schaduw over haar leven werpt. Moeder, gesjeesd toneelspeelster, prentte haar jonge dochter al in hoe ze moest leven: ‘Laat jezelf zien! riep ze, en dan spreidde ze haar armen. Ze had het ook vaak over uitstraling, en vooral over mensen die dat niet hadden. Dat waren verschrikkelijke mensen.’ Dat oordelende had ze niet van een vreemde, haar geldingsdrang evenmin.

Pas als ze ook zichzelf op die afstandelijke maar genadeloze manier beschouwt, doen de anekdotes meer dan steeds dezelfde holle lach oproepen. Dan gaan ze schuren.

Zoals deze, met haar al zieke moeder: ‘In een poging haar gerust te stellen vertelde ik haar over een moment dat me nog scherp voor ogen stond, toen ik een jaar of zes was en voor de deur bij de lavendelstruik stond. Ik had mijn lievelingsjurk aan. „Die lichtblauwe met die bloemetjes”, zei ik. De zon scheen en ik snoof de lavendelgeur op. Nu ben ik gelukkig, dacht ik. Dit moment moet ik onthouden.’ Als een jeugd het moet hebben van dit soort geluksmomenten én moeder daarmee gerustgesteld moet worden, is er nog wel wat om te verwerken, inderdaad. Dan, vanaf tweederde, wordt Mensen met uitstraling sterker, en ontroerend.

Gecontroleerde zinnen

Voor een debutant is Posthuma bewonderenswaardig stijlvast. Haar onderkoelde, gecontroleerde zinnen zijn bovendien geliefd in de Nederlandse letteren – zie de brede omarming van Posthuma door de literaire tijdschriften. Maar je zou haar een vleugje van de stilistische durf van Maartje Wortel toewensen.

Wortel maakt grote indruk in het korte bestek van haar nieuwe boekje Goudvissen en beton – een lang kort verhaal, dat toevallig ook gaat over een jonge vrouw met een eigenaardige vader en een overleden moeder. Maar haar verhaal is wild en energiek, vervat in een woordenstroom die lijkt opgeschreven in een roes, experimenteel, met lef.

©

Het begint met het verzoek aan de toehoorder om niet alles helemaal te willen snappen en er gewoon in mee te gaan: de vermeende vaagheid waarom Maartje Wortel (1982) eerder wel bekritiseerd is, wordt daarmee in feite vast aangekondigd. Die kun je echter ook als charme en kracht zien, als een teken van de overgave waarmee zij in haar literatuur een gevoel poogt te beschrijven dat zo groots is dat het bijna onbevattelijk en onbeschrijflijk voelt. Over zo’n gevoel gaat het ook in Goudvissen en beton. Waar Posthuma’s hoofdpersoon de neuroses lang beteugelt door afstand te nemen, omarmt de vertelster van Wortel juist wat haar gek maakt. En zij laat die gekte ook in haar zinnen toe. Zoals ergens staat: ‘Mijn hart zoemt als een insect, alsof het boven zichzelf uit wil trillen.’

Het verhaal is een boven zichzelf uit trillende liefdesverklaring van de ik-persoon aan een nieuwe geliefde, al wordt het pas laat duidelijk dat dát het is. De liefdesgeschiedenis leidt Wortels vertelster in met een lange aanloop over haar familie. Haar vader belandde ooit bij toeval in Tilburg, maar maakte daarmee dus mogelijk dat zij in die stad later ooit die geweldige geliefde zou tegenkomen. ‘Ik vind het in zeker opzicht zinloos om zo over iets na te denken’, relativeert ze meteen weer, en in het vervolg blijft ze schipperen tussen onontkoombare kettingreactie, lotsbeschikking en schitterend toeval.

En haar moeder overleed. Net als Posthuma komt Wortel uit bij het gemis dat een gat sloeg in haar familie en haar leven. Maar met die dood werd ook ‘een beweging op gang gebracht’, zoals ze alles op het maniakale af dubbele betekenissen toedicht en van alles twee kanten wil zien. Het einde, het gat, is ook een begin: net bij het kunstwerk dat een zwart gat lijkt, van Anish Kapoor in het Tilburgse museum De Pont, ontmoet de hoofdpersoon haar nieuwe geliefde.