Ze gaven keihard af op Europeanen. En ik voelde me aangesproken

Engeland

In haar zes jaar als correspondent zag Titia Ketelaar de Brexit-stem dichterbij komen, al kon ze het aanvankelijk niet geloven. Een terugblik, en een portret van het verweesde volk der Engelsen.

Boven: vader en zoon in Blackpool, de volkse badplaats aan de Ierse Zee. Linksonder: een familie op het strand van Skegness aan de Noordzee. Rechtsonder: een oudere leerling van de elitaire jongensschool Eton, die behoort tot een gezelschap dat vesten naar eigen keuze mag dragen. Foto Peter Dench/Getty Images

Ik sta in het midden van Engeland. Zes jaar lang ben ik op zoek geweest naar wat de Engelsen nu zo Engels maakt, wat hen anders maakt dan andere Europeanen. En hier in Meriden, het geografische – en misschien zelfs symbolische – centrum, wil ik voor de laatste keer een antwoord op die vraag vinden. Een bemost monument, omringd door bloemen op de village green, dient als bewijs dat dit echt het middelpunt is. Het buurthuis heet: Heart of England.

Voor het antwoord wijst iedereen naar de Queen’s Head, de pub van Laurence en Caroline O’Neill. „Als er iets in het dorp gebeurt, gebeurt het hier”, beaamt Laurence.

Onvermijdelijk gaat het gesprek over Europa, zoals zo vaak in de maanden voor en sinds het Britse referendum. En net als in vele andere delen van het Verenigd Koninkrijk is men ook hier in Meriden uitermate tevreden met de stem voor een Brexit, het Britse vertrek uit de Europese Unie. Al weet ruim twee maanden later nog niemand hoe de Brexit eruit zal zien: wel toegang tot de Europese interne markt of niet? Open grenzen of visa voor Europeanen?

„Britons never ever will be slaves”, parafraseert oud-verpleegster Patsy Beckett het onofficiële volkslied, Rule Britannia. „We kunnen het goddomme zelf wel in de wereld.”

De Queen’s Head is een traditionele pub: lage bruine balken van vierhonderd jaar oud, jaren zeventig-schilderwerk ertussen, bloementapijt op de vloeren. Op tafel azijn (voor over de chips), salad cream (een soort azijnige dunne mayonaise), ketchup en brown sauce (een azijnige ketchup). Aan de bar twee stamgasten, hun pint voor hen. De een verdiept in de kruiswoordpuzzel van de krant van middle England, de Daily Mail, de ander op zoek naar een praatje.

En in de andere hoek is het wekelijkse thee-uurtje van de dorpelingen gaande, met zelfgebakken cake. Begonnen toen Roma zich zonder bouwvergunning in natuurgebied wilden vestigen en de dorpsbewoners dat voorkwamen. „Ze drongen voor”, zegt Carol Stafford: „Ik moest voor mijn veranda ook toestemming hebben.” „Dit ging niet om wie ze waren, maar om fair play”, zegt Patsy Beckett.

Het thee-uurtje werd doorgezet om samen andere zaken in het dorp te regelen, en vooral om vereenzaming tegen te gaan. Dát, zegt pubeigenaar Laurence O’Neill, is Engeland: „Het gevoel dat we één gemeenschap zijn, en voor elkaar zorgen.”

People power

Toen David Cameron in 2010 aantrad als premier was het zijn grote thema: de big society, de participatiesamenleving. Hij zag een land voor zich waarin burgers zich betrokken voelden. Niet de overheid, maar de burger zelf zou postkantoren en bibliotheken runnen, het initiatief nemen tot woningbouw, of nieuwe buslijnen. Hij noemde ‘people power’ zijn ‘grote passie’: „Dat wat je ’s ochtends energie geeft, waarvan je gelooft dat het werkelijk een verschil zal maken.”

Echter, op hetzelfde moment dat hij de Britten vroeg om meer te doen, werden liefdadigheidsinstellingen gekort in hun subsidies, vrijwilligersprogramma’s beëindigd, bibliotheken en buslijnen wegbezuinigd. Langzaam verdween ‘big society’ uit zijn speeches.

Maar daar zal Cameron niet om worden herinnerd. Hij is voor altijd de premier die de Britten uit de EU haalde.

Toen het eenmaal zover was, was ik wel geschokt maar niet verbaasd. De maanden voor het referendum had ik zelden gloedvolle betogen voor EU-lidmaatschap gehoord. Niet dat die verschil hadden kunnen maken. De euroscepsis zat te diep, het verlangen naar ‘iets anders’ was te groot. Maar elke keer als ik buiten Londen was geweest, keerde ik terug met een knoop in de maag: ze gingen het écht doen.

Onvermijdelijk ging het gesprek in Meriden over Europa, schrijf ik nu. Maar vijfenhalf jaar lang gingen gesprekken er eigenlijk zelden over, tenzij ik de Britten expliciet naar de EU vroeg. De Europese Unie was er natuurlijk altijd, ergens in het achterhoofd. Bewuster bij bepaalde beroepsgroepen: boeren, vissers, exporteurs en vooral Lagerhuisleden.

Ergernis was er op tabloidvoorpagina’s. Brussel zou hergebruik van lege jampotjes willen verbieden (een affront voor al die Engelsen die op dorpsfeesten hun huisgemaakte jams en chutneys aanbieden). Of willen dat eieren per gram verkocht zouden worden, in plaats van per dozijn (tegen het zere been van de vele Britten die, in elk geval mentaal, nog altijd vasthouden aan het imperiale stelsel van maten en gewichten).

Het was een amusant soort euroscepsis. Maar dieper borrelde er iets, realiseerde ik me.

Confrontatiepolitiek

De eerste keer dat ik over de mogelijkheid van een referendum schreef, was januari 2011. De Britten hadden toen ruim een half jaar hun meest Europese regeringsvorm ooit: een coalitie. Dat zou nog tot 2015 een bizar experiment worden gevonden, en voor de meeste Conservatieven niet voor herhaling vatbaar. Britse politiek hoort confrontatiepolitiek te zijn, geen consensuspolitiek. Vandaar ook dat de groene bankjes in het Lagerhuis tegenover elkaar staan.

In de wens om een referendum te houden vonden de coalitiepartners elkaar – toen nog. Ook de Liberaal-Democraten meenden dat de Britten recht hadden op zeggenschap als er een nieuw Europees Verdrag zou komen, bijvoorbeeld als ‘Brussel’ meer bevoegdheden zou krijgen. De toevoeging – ‘een nieuw verdrag’ – zou echter door voortdurend gedram van Conservatieve backbenchers binnen twee jaar verdwijnen. Er kwam een referendum, hoe dan ook.

Begin 2011 waren het nog louter de echte diehards die daarom vroegen. De meeste eurosceptici wilden radicale hervormingen zien, maar zeker geen Brexit. Dat was toen nog een randverschijnsel.

Zelfs Douglas Carswell, het Conservatieve partijlid dat later zou overlopen naar de UK Independence Party van Nigel Farage, steunde het niet. Noch Bill Cash, een euroscepticus van de oude stempel, die uit het hoofd het Verdrag van Lissabon, Maastricht of Rome kan citeren.

Cash sprak niet over de EU, maar over de ‘common market’, de gemeenschappelijke markt. Een woordkeus die Europa reduceert tot „een plek waar je koopt en verkoopt, een Poundland of een Euroshop, en niet veel meer”, zei Denis McShane, oud-staatssecretaris van Europese Zaken, eens. En Cash was niet de enige. Voortdurend werd me verteld dat „wij nu eenmaal anders zijn dan jullie”.

Ik dacht maar steeds: kritiek op Europa, ja euroscepsis, is niet voorbehouden aan de Engelsen. Maar je hoeft maar in een dorp als Meriden te zijn, en je ziet waarom het bij de Engelsen niet louter gaat om onvrede met regelgeving uit Brussel, geldverspilling en verlies van soevereiniteit. Hun wantrouwen tegen Europa – het continent én de Unie – zit veel dieper, realiseerde ik me gaandeweg.

Cricketlessen

Zoals overal is het oorlogsmonument het middelpunt van Meriden, naast de eendenvijver, waar ook het bord staat met de kerkdiensten, de oproepen voor gratis cricketlessen en de vraag naar koorleden.

Er ligt een krans van poppies, de namaakklaprozen die het symbool zijn van oorlogsherdenkingen, en een vers bosje bloemen. Dertien mannen sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog, zeven in de Tweede. In heel Engeland en Wales zijn slechts 53 ‘dankbare’ dorpen, waar alle militairen terugkeerden.

Die oorlogen – en dan met name de Tweede – toonden wat de Engelsen als hun beste eigenschappen beschouwen: onafhankelijk, zelfopofferend, heroïsch, stoïcijns. Anderzijds herinnert het oorlogsmonument er voortdurend aan dat er van de overzijde van het Kanaal maar weinig goeds kan komen.

Gevraagd naar zijn mening over Europese samenwerking, antwoordde premier Clement Attlee in 1967: „De zogenoemde gemeenschappelijke markt van zes landen. Ken ze allen goed. Zeer recentelijk spendeerde dit land heel veel bloed en kostbaarheden om vier van hen te redden van de aanvallen door de andere twee.”

Nog altijd kijken oudere Engelsen zo naar het ‘continent’. Neem Denis Print en Michael Harrison, twee zeventigplussers die tussen enorme groene kolen in de volkstuintjes aan het schoffelen zijn. „Europa was het antwoord op het bloedvergieten. Ze zullen wel iets hebben geleerd, ik denk niet dat als wij nu weg zijn, ze elkaar weer afslachten”, zegt Harrison.

In de Spar aan de village green komt winkelier Kam Singh Nijjer met de andere veelgenoemde reden om de EU de rug toe te keren: „Engeland is een eiland.” Voor het gemak vergetend dat op dat eiland ook nog Schotten en Welsh wonen. Zelfs in Meriden waar de zee bijna niet verder weg kan zijn, leeft het eilandgevoel nadrukkelijk.

Niet voor niets liet Shakespeare in Richard II John of Gaunt over Engeland zeggen [in de vertaling van Willy Courteaux]:

„Dit kleinood, in de zilvren zee gevat./ Die er omheen ligt als een sterke muur,/ Of als een slotgracht die een huis beschermt/ Tegen de wrok van min gelukk’ge landen.”

Het Kanaal ‘maakte’ Engeland. De zee maakte het Britse Rijk, dat pas in de jaren vijftig uiteenviel. In de Spar zegt Nijjer: „We zijn een van de machtigste landen ter wereld. Overal spreekt men Engels: wij kunnen wel op onze eigen benen staan. Andere landen zullen met ons willen blijven handelen.” Of andersom geredeneerd: het meedoen aan het Europese project, in de jaren zeventig, wordt nu gezien als teken van zwakte, iets wat ook Europees-gezinde politici me regelmatig zeiden.

‘Zij’ in Westminster

De meeste gesprekken bij bushaltes, op bankjes en boven grote mokken thee in workman’s cafés – waar je de hele dag een full English breakfast kunt eten – gingen echter niet over Europa, maar over ‘zij’ in Westminster, de politiek. De Engelsen voelden zich genegeerd, niet gehoord, machteloos. Als individu, door bezuinigingen die hard ingrepen in hun leven, maar ook als volk.

In 2012 voelde ik dat er iets veranderde. Tijdens het diamanten jubileum van koningin Elizabeth en de Olympische Spelen in Londen was het nog de ‘Britsheid’ die gevierd werd; een veronderstelde identiteit die álle burgers van Groot-Brittannië (en Noord-Ierland) zouden delen. Maar vlak daarna barstte in Schotland de campagne los voor onafhankelijkheid. Opeens werd het uiteenvallen van dat Brittannië, de Unie van Engelsen en Schotten uit 1707, een mogelijkheid.

Het debat in Schotland was levendig, spannend. Voor het eerst zag ik onbekenden op straathoeken met elkaar in verhit politiek debat verwikkeld. De Schotten dachten na over wie zij waren en over hun toekomst. Maar de Engelsen werden daardoor hard met hun neus op het feit gedrukt dat zij géén eigen parlement hebben, in tegenstelling tot de andere drie Britse ‘naties’. Voor Wales, Schotland en Noord-Ierland is er een minister. Niet voor Engeland.

En onderwijl hoorde ik de Engelsen steeds vaker vertellen dat hun cultuur onder druk stond, enerzijds doordat Engeland „een provincie van Europa” was geworden, en anderzijds door de komst van immigranten, grotendeels uit Oost-Europa. De beste samenvatting van het ongemak gaf de echtgenote van een UKIP-kandidaat uit East Anglia: „Ze staren zo. En omdat ze geen Engels spreken, weet je niet of dat hun gewone manier van doen is.”

Hoe harder de Schotten riepen om onafhankelijkheid, hoe meer de EU zich opdrong, hoe groter de zorgen om immigratie worden, des ongemakkelijker voelden de Engelsen zich.

Maar wie waren de Engelsen eigenlijk zelf? Zij hadden nooit een debat gevoerd over identiteit, zoals de Schotten wel over hun ‘Schotsheid’. Wat Engels precies is, bleef steken in het karikaturale – thee, in de rij staan – al zag ik in Meriden weer dat clichés altijd een kern van waarheid bevatten. Of er kwamen abstracte definities – respect voor vrijheid van meningsuiting, democratie, tolerantie. Dat laatste klopt (de eerste twee gelden net zo goed voor andere Europese volken). De Engelse hang naar privacy betekent dat zij anderen in hun waarde laten – zolang die hun gedrag maar niet al te veel aan anderen willen opdringen.

Het is een van de prettigste aspecten van de Engelse samenleving. Maar het is ook een laagje vernis, merkte ik.

Omdat de Engelsen de laatste jaren in economische termen over immigratie spreken, over bescherming van de arbeidsmarkt of de welvaartsmaatschappij in plaats van huidskleur of cultuurverschil, denken ze dat ze niet discrimineren. In gesprekken over migratie dekten veel Engelsen zich eerst in: „Ik ben geen racist, maar..” Of rechtstreeks tegen mij: „We bedoelen jou niet, maar…” Om vervolgens keihard af te geven op Europeanen. En ik voelde me toch aangesproken.

Een noodrem

Hoe voorstanders van de EU ook probeerden ze te ontkrachten, de twee beelden van Europese migranten bleven hardnekkig bestaan: ze pikten óf de baantjes in, óf de uitkeringen en sociale woningen. David Cameron bevestigde de sceptici in zulke ideeën door te gaan onderhandelen over „een noodrem” op EU-migratie.

„Mijn vader kwam hier in de jaren zestig uit India om in een metaalgieterij te werken”, vertelt Kam Singh Nijjer, zelf in Birmingham geboren. „De huidige immigranten willen niet werken.” Dorpsgenoot Jordan Christopher, wiens vader van het Caraïbische eiland St Kitts komt, zegt: „Er zijn er gewoon te veel: ze nemen de boel over. Als ze nu de juiste kwalificaties hadden.” Niet dat er in Meriden nu zoveel immigranten zijn.

Nigel Farage, van de UK Independence Party, hoorde het gemor. Hij identificeerde het probleem – immigratie – en verbond er een oplossing aan: Brexit. De campagnegroep Vote Leave gaf er een positieve draai aan: Neem de macht terug! Zeggenschap over eigen wetten, over besteding van geld, over grenzen, vooral over wie er het land binnen mag komen.

In alle toonaarden ontkennen ‘Brexiteers’ nu dat de stem voor een vertrek uit de EU met immigratie te maken had. Een klein deel van de eurosceptici is inderdaad voorstander van open grenzen en vrijhandel, en gelooft dat het Verenigd Koninkrijk door de rest van Europa wordt belemmerd in zijn internationalisme. „Eruit en de wijde wereld in”, was de oproep van het conservatieve weekblad The Spectator voor het referendum. De bijbehorende illustratie: een Britse vlinder die een nauwe Europese doos uitvloog.

Voedselproductie

Maar om aan de onvrede van de Engelse kiezer tegemoet te komen, zal Brexit op de een of andere manier de beperking van immigratie moeten betekenen. Maar dichte grenzen en de vrijhandel waaraan de meeste Brexiteers óók willen vasthouden, zijn moeilijk te verzoenen. Want tegelijkertijd is de economie afhankelijk van flexibele arbeidskrachten.

Een op de vier werknemers in de voedselproductie – van groenteplukkers tot serveersters – komt bijvoorbeeld uit Oost-Europa. Gezien het kleine aantal Britse werkzoekenden zal die sector afhankelijk blijven van buitenlandse werknemers.

De Europese interne markt ‘is’ arbeid, en arbeid is bijna niet los te zien van mensen. De spreekwoordelijke Poolse loodgieter is zijn werk.

Nu, na ruim twee maanden, merk ik dat langzaam indaalt wat Brexit betekent: allereerst een scheiding met de EU, dan nieuwe handelsakkoorden met de EU en met de rest van de wereld. Sommige deals zullen onvermijdelijk harmonisatie van regels inhouden, het soort bureaucratie waar de Brexiteers juist vanaf wilden.

Het kan nog jaren duren voor de scheiding een feit is, ook omdat niemand in Londen precies weet wát Brexit inhoudt: hoe het precies moet worden ingevuld en uitonderhandeld.

De schrijvers van Yes Minister verwoordden het perfect in een update van hun beroemde tv-serie voor The Guardian. „Wat betekent het eigenlijk?”, lieten ze topambtenaar Sir Humphrey zijn minister vragen. Minister: „Heeft u de premier niet gehoord? Brexit means Brexit.”

Maar van doemdenken is geen sprake, ook niet in Meriden. „Met 28 landen iets proberen te regelen, het waren er veel te veel”, zegt Michael Harrison in zijn volkstuintje. „Gelukkig stappen we eruit. Alleen is het nu nog veel te vroeg om te zien wat de Brexit brengt”.

Brexit is een kans voor de Engelsen. Ze kunnen hun land opnieuw vormgeven. En recht doen aan de stem van diegenen die denken dat ze nooit iets gemerkt hebben van de welvaart die het Europees lidmaatschap bracht. Aan diegenen die zich niet gehoord voelden, of zuchtten onder regelgeving, ook al kwam die vaak maar ten dele uit Brussel.

Ik kwam die teleurgestelde Engelsen gedurende die zes jaar van mijn correspondentschap overal tegen. In Stoke-on-Trent, waar ooit alle theekopjes uit de porseleinfabrieken rolden, zei inwoner Bill Cawley: „Je ruikt het verval.”

In Oost-Londen, dat helemaal vernieuwd was voor de Olympische Spelen, maar waar bloemist Dave Newman zijn bedrijfstactiek bleef samenvatten als „overleven”. In Jaywick, aan de oostkust, waar de toch al verarmde bewoners bang waren voor iedere nieuwe bezuinigingsronde.

In welvarende steden als Marlow, waar Bob Woollard met uitzicht op de zwanen op de Theems uitlegde waarom zoveel van zijn Conservatieve vrienden teleurgesteld waren in de politiek. In Tunbridge Wells waar getreurd werd om het verlies van het „green and pleasant” land. In Meriden, waar pubeigenaar Laurence O’Neill vertelt dat „een heleboel” van zijn stamgasten voor Brexit stemden.

De verwachtingen in het land zijn hooggespannen. Het idee bestaat dat met die ene stem het land zichzelf bevrijdde van ballast, en op weg gaat naar een betere toekomst die in eigen handen ligt.

Brexit? Ja, het gaat gebeuren. Maar de manier waarop gaat er vreselijk toe doen.

Dit is de laatste bijdrage van Titia Ketelaar als correspondent in het Verenigd Koninkrijk. Zij schrijft een boek en keert daarna terug als redacteur bij de Haagse redactie van deze krant.