Voor Darwin waren planten intelligente wezens

Iedereen kent Darwin van zijn dieronderzoek op de Galapagoseilanden en het daaruit voortvloeiende boek On the Origin of Species (1859). Minder bekend is Charles Darwins uitzonderlijke liefde voor planten. ‘Een reiziger moet een botanicus zijn’, zo schreef hij op de Galapagoseilanden. ‘Want vanuit alle oogpunten vormen planten de voornaamste verfraaiing van het landschap.’

Samen met zijn zoon Francis schreef Charles Darwin acht omvangrijke boeken en meer dan zeventig artikelen over planten. Om zijn botanische bevindingen te toetsen correspondeerde hij ruim twintig jaar met de voornaamste botanici uit Europa en Amerika, onder wie de Nederlander Hugo de Vries.

Darwins onbekende voorliefde voor planten is het onderwerp van het boek Botanische revolutie. De auteur, Norbert Peeters, studeerde in Leiden geen plantkunde, maar archeologie en filosofie. Niettemin heeft hij als ‘leek’ voor de tweede keer een inspirerend verhaal over de intelligentie van planten neergezet, na Plantaardige vegetatieve filosofie (2014). Tegelijkertijd is zijn boek een ode aan het plantkundig onderzoek van Charles Darwin.

Veel van het plantenonderzoek deed Darwin in de twee kassen die hij achter zijn huis had laten bouwen. Ook voerde hij plantexperimenten uit in zijn eigen tuin, en in de omgeving van Cambridge, de streek waar hij woonde. Peeters beschrijft in zes hoofdstukken, gelardeerd met illustraties, wat Darwin zoal gevonden heeft. Darwin en zoon maakten tekeningen van de draaiende bewegingen van klimplanten; ze zagen hoe insectenetende planten actief prooien vangen met kleverige haren; ze namen waar hoe de bladstand veranderde wanneer een plant ’s nachts ging ‘slapen’; en ze tekenden hoe worteltopjes zich een weg door de bodem banen onder invloed van licht, voedingsstoffen, water en zwaartekracht.

Regelmatig waren de Darwins het oneens met de heersende visie. Zo was de gezaghebbende botanicus Carl Linnaeus overtuigd van zelfbevruchting bij planten, omdat de mannelijke meeldraden zo vaak samen met de vrouwelijke stamper in één bloem zitten. ‘Bloemblaadjes dragen niets bij aan de verwekking’, had de Zweed in 1729 geschreven. Maar Darwin en zijn zoon gaven de tot dan toe nooit erkende Duitse botanicus Christian Sprengel (1750-1816) postuum gelijk. Dit deden ze door nog gedetailleerder dan hij had gedaan te laten zien hoe de bouw van orchideeën is afgestemd op hun bestuivers, en dus op kruisbestuiving in plaats van incestueuze zelfbestuiving: planten hebben seks, en zedelijk besef!

Met anekdotes zoals deze laat Peeters zien hoeveel Darwin van planten hield, en hoe hij hun intelligentie bewonderde. ‘Darwin’, zo schrijft Peeters, ‘zag in dat het einde van een principieel rangverschil tussen mensen en dieren ook het einde inluidt van een rangverschil tussen dieren en planten.’

De plant erkennen als een wezen dat intelligent op de omgeving reageert, op zijn eigen plantenmanier dan, moet destijds wel revolutionair zijn geweest. En het is het misschien nog steeds. Het enige kritiekpunt dat je op het boek kunt hebben is dat het weinig modern plantonderzoek bevat dat Darwins kijk op planten als intelligente wezens bevestigt. In een van de laatste alinea’s verwijst Peeters hiervoor dan ook terecht naar het boek Brilliant Green (2015) van de Italiaanse plantenneurobioloog Stefano Mancuso en wetenschapsjournalist Alessandra Viola. Dat boek haalt ook Darwins onderzoek aan, maar doet vooral dat waar Peeters nauwelijks aan toekomt: de intelligentie van planten aantonen met modern onderzoek.