Veertien en door moeder uit huis gezet

Jeugdzorg Gescheld, bedreigingen en uiteindelijk op je sokken met een crisismedewerker mee. Zo heftig kan een avond met het crisisteam van de jeugdbescherming zijn.

Het meisje over wie dit verhaal gaat, wordt laat in de avond in de kinderbehandelkamer (boven) van een ziekenhuis onderzocht. Schoenen heeft ze niet bij zich. ©

Komen jullie mijn dochter maar halen. Ze is veertien en heeft seks gehad. Wij zijn Marokkaans en moslim, dit kan niet binnen onze cultuur. Kom haar maar halen, ze kan niet langer thuis blijven. Aldus de telefonische mededeling op zaterdagavond van een moeder aan het Crisis Interventie Team (CIT) Haaglanden.

En dus rijdt Touria (35), CIT-medewerker met weekendshift, even later samen met een collega door de Haagse straten, op weg naar de flatwoning van moeder. Touria kent het gezin. Er zijn vaker meldingen. Een alleenstaande, in Marokko getogen moeder, twee tienerzoons, een uit huis geplaatste dochter die sinds kort weer thuis woont. Tot dusver gingen de meldingen telkens over mot tussen moeder en de oudste zoon. Het crisisteam wist de boel elke keer te sussen, en Touria verwacht dat ook nu te kunnen doen.

Het loopt anders. Binnen blijken de spanningen onverwacht hoog te zijn opgelopen.

Het Crisis Interventie Team Haaglanden – onderdeel van Jeugdbescherming West – is bij wijze van uitzondering ingegaan op ons verzoek een avond mee te lopen. We wilden weten hoe het werk van de jeugdbeschermingsteams verloopt, omdat zij steeds vaker te maken krijgen met crisiszaken.

Het team in Den Haag kreeg in de eerste helft van 2016 al meer dan duizend meldingen, tegenover minder dan negenhonderd in dezelfde periode vorig jaar. Elke gemeente moet 24 uur per dag zo’n team paraat hebben – dat in actie komt als de veiligheid of het welzijn van kinderen (0 tot 21 jaar) acuut in het geding is. Een kind dat van huis is weggelopen na een fikse ruzie. Dat door zijn moeder is toegetakeld. Zichzelf dreigt te beschadigen.

Meldingen bereiken het crisisteam via huisartsen, school, politie, of zoals in dit geval via ouders. De crisisdienst snelt toe, verleent de meest dringende hulp en overlegt met ouders, kind en betrokkenen over het vervolg.

Hoe ziet één van die vele crisiszaken er van dichtbij uit?

Hond! Ik ga je slaan

Touria, bos zwarte krullen, grijze jeans en sneakers, stapt met haar collega de flatwoning binnen. In de gang staat moeder, gekleed in een tuniek. Naast haar de twee tienerzoons, de dochter is in haar slaapkamer.

De CIT-medewerkers volgen moeder de strak ingerichte woonkamer in. Moeder neemt plaats op de bank en vertelt. Haar dochter is pas een halve maand weer thuis na een uithuisplaatsing van twee jaar. Maar ze is de hele tijd de deur uit. „Overdag. Urenlang. Ik weet niet waarheen ze gaat.”

Ze heeft gekeken in haar dochters telefoon. Bij een what’s app-fotootje van een zwarte jongen zag ze berichten „over neuken”. En in de contactenlijst zag ze een onbekend nummer staan, opgeslagen onder de naam ‘Weet-niet-wie’. „Ik bellen. Was oude man. Ik zeg: wat doe jij met mijn dochter? Hij zegt, wat is dit? Ik zeg: wat doe jij met mijn dochter?”

Verder komt moeder niet. „KANKERHOER”, klinkt het op vol volume uit de gang. „KANKERHOND!” De CIT-medewerkers rennen de gang in, naar de slaapkamers van de broers en zus. Moeder volgt. Touria vraagt wat er aan de hand is. „Die kánkerhond heeft mij daarnet geslagen”, schreeuwt het meisje. ‘Hier, bij mijn oog, op mijn neus, en in mijn zij. Hónd. Ik ga je slaan! Ik ga je pakken!”

Het meisje – gekleed in korte broek en T-shirt, en met brede schouders voor haar veertien jaar – kijkt haar oudere broer woest aan. Die trekt zich op aandringen van Touria’s collega terug in zijn slaapkamer, bij zijn jongere broertje. Het meisje schreeuwt nu nog harder, naar haar moeder. „Jij noemt mij hoer! Je gaat me toch geen hoer noemen! Dat doe je niet! Iedereen kan toch fouten maken!”

Moeder, op nog geen meter afstand van haar dochter, schreeuwt net zo hard terug. „Jij gaat met zwarte! Je moet niet met zwarte!” Het meisje kijkt haar moeder strak aan, nek naar voren, lippen samengeperst.

Moeder blijft schreeuwen. Als ze het woord ‘hoer’ laat vallen verliest de dochter zich. Ze haalt uit en raakt haar moeder hard op de bovenarm.

„Ik sla jou nog DOOD”, briest ze. Touria gaat tussen moeder en dochter staan, en roept „rustig, rustig”. Moeder wrijft met een pijnlijke blik over haar bovenarm. Touria’s collega leidt haar terug de woonkamer in.

Vijf minuten later ontploft het meisje opnieuw. „Ik steek jou neer!”, schreeuwt ze haar oudere broer toe. Ze grijpt een schroevendraaier en jaagt die haar slaapkamerdeur in. Moeder er weer bij, broers op de drempel. Touria en haar collega overleggen met zachte stem. Dat het zo niet gaat, dat het meisje hier weg moet, dat een dokter haar moet zien.

Dan tegen moeder, hardop: „Het is te veel nu. We moeten gaan. Kijk.” Touria wijst naar de neus van het meisje. „Ik zie dat haar neus aan één kant dikker is. Zie je? Eerst brengen we je dochter naar het ziekenhuis, ter controle. Dan kan ze ook wat kalmeren, en jij ook. Daarna bellen we je.”

Het vertrekken duurt ruim een half uur. Er is een vuilniszak nodig voor de kleren van het meisje. Moeder zoekt. Nee, dat zijn pedaalemmerzakken. Ja, die rol is goed. Touria’s collega die de zak vult. Moeder die wild door de kleren van haar dochter graait, om te zien of die niets van haar meesmokkelt. De dochter die overal haar schoenen zoekt en ze nergens vindt.

En, tenslotte, een huilende moeder bij de deur, die op fluistertoon op haar inpraat. „Zwarte man maakt jouw leven kapot! Wij is Marokkáán! Niet met een zwarte gaan.”

En dan loopt het meisje, na haar eerste volle twee weken thuis in twee jaar, met de crisisdienstmedewerkers de trap af. Op sokken.

Waar gaan jullie mij stoppen?

We stonden op het verkeerde been, zal Touria later zeggen. Had ze van tevoren geweten van de slaande ruzie tussen broer en zus, dan had ze voor de zekerheid de politie gebeld. Die assisteert het crisisteam vaker, wanneer meldingen voortekenen tonen van geweld. Het crisisteam zelf mag geen fysieke dwang uitoefenen. De politie kan de veiligheid garanderen, van zowel gezinsleden als het crisisteam.

Onveilig heeft Touria zich uiteindelijk niet gevoeld, zegt ze. Zij en haar collega hadden de touwtjes stevig genoeg in handen. Ze geeft de melding een zeven, op de schaal van heftigheid.

Het meisje zelf kookt nog van woede, op weg naar het ziekenhuis. Touria maakt oogcontact in de achteruitkijkspiegel. „Klopt het wat je zei, je ziet gewoon aan één oog heel slecht nu?” „Ja, ja”, zegt het meisje, en ze begint een monoloog. „Mijn broer is een fucking hónd. Hij had het over een oude man. Hij zei dat ik de waarheid moest spreken. Ik heb toevallig die nummer in mijn telefoon staan, die belde mij een keer per ongeluk, ik weet niet eens wie het is. Hij denkt dit dat, zus zo, ik ga met zestigplussers nemen. Weet je hoe vies die shit is! Oud! Rimpel! Grijs! Gadverdámme! Hij dacht dat ik liegte, maar ik liegte helemaal niet. Hij probeert met me te vechten. Ik ging hem tráp-pe….begon hem te sláán….had ’m te pák-ke…. Toen sloeg hij mij met zijn vuist. Een paar keer. Hier en hier en hier. En toen zei mijn moeder tegen mijn broer”, ze zet ineens een zoet, lief stemmetje op, „Ja stop nu maar hoor, stop maar met slaan.” Met eigen stem: „Kankerhoer. Liet gewoon me slaan.”

Ze valt stil. Een minuut lang is alleen de auto hoorbaar.

Dan: „Waar gaan jullie mij stoppen?”

Touria: „We gaan je nergens stoppen. Eerst gaan we naar het ziekenhuis.”

„Ik weet niet waar jullie mij willen stoppen maar ik ga nergens heen.”

„Eerst even het ziekenhuis.”

Het ‘even’, bij het HagaZiekenhuis, locatie Leyweg, duurt twee uur. Een verpleegkundige onderzoekt haar, later de dokter. De tijd eromheen bestaat uit wachten. In de wachtkamer voor kinderen, waar in het harde licht tientallen littekens te zien zijn op de onderarm van het meisje. En buiten, waar ze rookt. Met een klikker vult ze haar lege sigarettenhulzen met tabak, die ze meedraagt in een cilinder ter grootte van een beschuitblik.

Ze begint te kalmeren, ijsberend op haar sokken naast de ingang van het ziekenhuis. Terloops komen gewelddadige snippers uit haar jeugdzorgverleden voorbij. „Ik was twaalf, hij greep me naar de keel.”; „Ik vertrouw niemand op planeet aarde. Iedereen heeft twee gezichten.” „Ik had een ruit kapot gemaakt, de deur doorgetrapt, een paar kinderen in het gezicht getrapt”.

Touria luistert, zegt hm hm, en praat kalm terug als het past. „Ja, ik heb gezien hoe jij bent als je boos bent. Ik ben blij dat ík geen blauwe plekken kreeg!”

Over de spanningen thuis: „Jouw broer kent jou denk ik ook gewoon niet meer zo goed. Want jij was ook al wel heel lang van huis.” „Ja”, zegt het meisje, nu ook op rustige toon.

Touria’s collega achterhaalt intussen via haar laptop de dossiergegevens van de jeugdbescherming. Slachtoffer van fysieke mishandeling door moeder. Vader uit beeld. Vanaf groep acht uit huis geplaatst. Geplaatst bij een reeks jeugdzorginstellingen. Schoolniveau: havo-vwo. Ze wil arts worden, zegt ze desgevraagd.

Rond middernacht komt het medisch uitsluitsel. Het zicht van het meisje is in orde. Haar neus is gezwollen, een breuk is niet uitgesloten. Aan zekerheid verschaffende röntgenfoto’s begint het ziekenhuis niet. De straling kan haar jonge hersenen schaden, en natuurlijke genezing is waarschijnlijk.

Noodbed in logeerhuis

Vanuit de behandelkamer belt Touria met moeder. Er is een noodbed beschikbaar voor twee nachten, in een logeerhuis van een jeugdzorginstelling. Moeder moet voor deze nieuwe uithuisplaatsing toestemming geven. Zo niet, dan moet Touria zich via de raad voor de kinderbescherming wenden tot een piketkinderrechter, voor een voorlopige ondertoezichtsstelling. Het blijkt niet nodig. Moeder zegt ja. Of in haar woorden: „Zoek het maar uit met elkaar”.

Touria wendt zich tot het meisje. „Ik wil met je afspreken dat je morgen niet naar je moeder toe gaat. Ze is echt nog te boos. Na het weekend gaan we rustig kijken.” Het meisje knikt. „Zullen we gaan?” zegt Touria. „Ik wil mijn slippers”, antwoordt ze.

Het logeerhuis staat in een Haagse woonwijk. Een medewerker leidt het meisje, Touria en haar collega een kantoortje binnen.

Aan de muur hangen foto’s van kinderen van de groep, tijdens een excursie. Ze staan er glimlachend op, niets lijkt hun geluk in de weg te staan. Het meisje kijkt ernaar, en noemt opgetogen de ene na de andere voornaam op. „En morgen”, zegt de medewerker, „komt een groepleidster die je goed kent”. Ze noemt de naam. Het meisje kijkt blij. „Neemt ze haar hond mee? Dat hoop ik. Die is echt lief.” Dan stalt ze haar tabaksblik en filtervuller uit op tafel. „Even roken zo.”

Naast deze zaak kreeg CIT Haaglanden ditzelfde weekend nog dertien meldingen. De meldkamer handelde er een aantal telefonisch af, bij andere gingen medewerkers eropaf. Touria’s zaken in de nacht van zondag op maandag: een moeder die haar kinderen van twee en drie jaar oud uren alleen thuis had gelaten. En een jong jongetje dat plots elders onderdak nodig had omdat zijn vader werd opgepakt vanwege zijn hennepkwekerij.

Het meisje van zaterdag is inmiddels terug in de jeugdzorginstelling waar ze eerder ook lange tijd verbleef, aan de andere kant van het land.

Ze stevent af op een ondertoezichtstelling door de kinderrechter, inclusief een machtiging voor de uithuisplaatsing. De zitting staat voor maandag gepland.