41, en steeds maar doorgaan

EK Honkbal Rob Cordemans is 41 jaar maar na een jaar blessureleed toch weer pitcher van het Nederlandse honkbalteam. „Het zou niet goed zijn als wij het EK niet zouden winnen.”

Pitcher Rob Cordemans Foto PAUL VREEKER/ANP

Rob Cordemans staat met slippers aan in de lobby van het hotel. Achteraf zou hij nog even terug naar bed gaan. Maar hij heeft alle tijd, echt. Half vijf worden de Nederlandse honkballers pas opgehaald. Ze hoeven niet ver, het stadion waar ze al hun EK-wedstrijden spelen is iets verderop. Het hotel ligt nog net niet op de startbaan van Schiphol. Elke twee minuten is het raak. Of hij een watertje mag.

Het gaat over zijn elleboog. Dat die toch zomaar het einde van zijn carrière had kunnen betekenen. 41 is hij. Won al een EK in 1995, stond vier keer op de Olympische Spelen. 41. Dat is oud voor een honkballer. Ja, pitchers gaan wel wat langer door. Zijn lichaam zei nog steeds geen knak. Hij miste eigenlijk nooit een groot toernooi. Maar hij stond het afgelopen jaar langs de kant. Die elleboog dus. Hij kon amper zijn dochtertje optillen. Hij wijst op de binnenkant van zijn arm de plek aan. Daar, de binnenband, daarvan dachten ze dat er een scheur in zat. Maar op foto’s konden ze het niet vinden.

Ze begonnen over een operatie. Nee. Dat was echt alleen gebeurd als het niet anders kon. Als hij dat had gedaan, was het om normaal te kunnen functioneren in het dagelijks leven. Maar een jaar lang revalideren om weer te kunnen spelen? Geen optie. 41, hè? Hij wilde niet zo eindigen. Twintig jaar Nederlands team en dan zo vertrekken. Opereren hoefde niet, maar hij wordt wel elke dag behandeld. Even alle toernooien doorkomen de komende tijd, en dan écht goed laten maken. Zorgen dat het niet meer gebeurt.

Hij is nog steeds heel goed. Vorige week werd hij tijdens een voorbereidingstoernooi in Frankrijk uitgeroepen tot beste pitcher. Verbaasde hem. Hij had pas drie wedstrijden gegooid na die blessure, amper wedstrijdritme. Hij denkt dat hij misschien geen wedstrijdritme nodig heeft.

Negentig per uur

Het gaat over hard gooien. Hij doet dat niet. Nooit gedaan ook. Harder dan nu misschien, maar nooit loeihard. Was ooit 88, 89 mijl per uur. Nu is het 85, die fastball. Hij moet slim zijn. Variatie. Op het verkeerde been zetten. Als hij nou linkshandig was geweest, oké, dan ben je een uitzondering, is dat je voordeel. Als rechtshandige, zoals hij, moet je negentig plus gooien. Hij was eens een paar jaar fanatiek in de sportschool bezig geweest. Met spieren kwam bij hem geen snelheid. Op een gegeven moment gooide hij niet harder dan 79. Hij kan erom lachen. Hij zag er in ieder geval goed uit in die tijd.

Maar internationaal heeft hij misschien wel een voordeel, denkt hij zelf. De ballen die hij gooit zijn meer geplaatst, zacht bijna, en dat zien ze minder vaak. Hij noemt het troep. Bedoelt hij positief. Slagmannen kunnen hem maar moeilijk lezen. Nog steeds. Misschien dat hij daarom al zo lang bij het Nederlands team zit.

Want hij weet eigenlijk niet waarom hij er al zo lang bij zit. Waarom elke coach door de jaren heen op de belangrijke momenten weer naar hem kwam. Tuurlijk, hij is mentaal goed, dat weet hij. Hij wordt niet boos als het even slecht gaat, als er opeens twee tegenstanders op de honken staan en er nog geen man uit is. Je kunt niet leven in het verleden, zegt hij dan. Door. Hij had zelf ook echt weleens een rotwedstrijd, kom op nou. Ook op het hoogste podium. World Baseball Classic, 2013, Nederland-Japan in een vol Tokio Dome. 50.000 mensen. Twee innings, drie homeruns. Is hij ook echt niet blij. Maar je ziet het niet aan hem af dan. Vijf minuten woede vanbinnen. Volgende keer beter. Zo makkelijk, ja.

Het gaat over het WK van 2011, Panama. Het WK dat Nederland zo verrassend won. Hij gooide een geweldige wedstrijd in de finale tegen Cuba. Drie uur wachten tot ze eindelijk konden beginnen, vanwege de regen. Stadion was langzaam leeggelopen. De mensen waren inmiddels dronken of hadden geen zin meer. Hij lacht. Ach, eigenlijk lette hij er ook niet op. Hij werd terug in Nederland iets bekender, denkt hij. Maar mensen waren het ook snel weer vergeten. Zo gaat dat nou eenmaal.

Expos

Het gaat over Amerika. Net als veel anderen in het team speelde hij ook ooit daar, waar iedere honkballer wil spelen. Hij was er niet lang. Twee jaar college, brak alle records. Maar hij gooide niet hard genoeg. Hard gooien kunnen ze je niet aanleren, de rest wel. Hij kreeg wel een uitnodiging van de Montreal Expos, toen nog een ploeg in de MLB. Ze beloofden dat hij op AA-niveau zou mogen spelen, twee niveaus onder de top. Maar hij kwam in de Rookie-league terecht. Terwijl hij toch echt best aardig had gegooid. Dat was de afspraak niet. Achteraf had hij misschien moeten blijven, denkt hij. Hij was te teleurgesteld. Dacht een dag na, meer niet. Te kort misschien. Een andere kans is er nooit meer gekomen.

Later ging hij nog wel naar Taiwan. Zijn vrouw ging zelfs nog een paar maanden mee, had een sabbatical genomen. Niet een land waar je graag zou wonen, vooral niet in de steden. Maar wel een echt honkballand. En hij verdiende er meer dan normaal, dat was mooi meegenomen. Het duurde vijf maanden. Drie slechte wedstrijden achter elkaar, en hij kon zijn koffer weer pakken. Hard. Dat wist hij, had ook niet anders verwacht. Teams mochten drie buitenlanders hebben, en hij had er nog zes overleefd. Zo slecht had hij het niet gedaan.

Het gaat over teleurstelling. Teleurstelling die veel spelers hebben als ze ontgoocheld terugkomen uit het buitenland. Weer terug moeten naar de Hoofdklasse. Die jongens zeggen het vaak niet, maar je merkt het aan ze. Het eerste jaar dat ze weer in Nederland spelen, gaat ook vaak niet goed. De liefde voor het spelletje is weg. Hij vindt dat je het twee jaar de kans moet geven, die teleurstelling een plekje moet geven. En als je die ervaring in Amerika hebt, dan kun je ook best even stoppen en daarna weer besluiten te gaan honkballen. In de Hoofdklasse kom je zo weer terug.

Hij zou er eigenlijk niet meer aan moeten denken, een honkballeven in Amerika. Best zwaar. Elke dag hetzelfde: wedstrijd spelen, naar je hotel, hup, volgende dag weer. Honderdzestig dagen lang. Moet je ook maar tegen kunnen. Hij hoort het weleens van de jongens die vooral op de lagere niveaus speelden daar. Tien uur in een bus, volgende ochtend spelen, en dan weer terug. Het lijkt hem vreselijk. Toen niet, natuurlijk niet, toen leek het hem geweldig. Maar ook de jongens die zo teleurgesteld terugkwamen, zeggen hem vaak dat ze dat leven niet meer terug hoeven.

Hij heeft een heel ander leven nu. Al tijden getrouwd. Dochtertje van zes. Maar hij gaat nog steeds zes keer per week van Den Bosch naar Amsterdam, waar hij speelt. Dat doe je niet als je het niet meer leuk vindt, zegt hij. Toch? De andere twee vinden er niet heel veel aan. Ze komen wel hoor, de belangrijke wedstrijden. Alleen niet elke week. Vindt hij prima. Die moeten doen wat ze zelf leuk vinden. Ook een lange zit, zo’n honkbalwedstrijd. Drie uur is geen uitzondering. Kan best saai zijn, vindt hij zelf soms ook. Zo’n pitchersduel als tegen Japan in de finale van de Honkbalweek in Haarlem dit jaar? Niets aan. Behalve als hij zelf een van die pitchers is natuurlijk.

Voor lul zetten

Het gaat over ouder worden. Zei ik in 2012 al dat ik per jaar bekijk of ik doorga, vraagt hij. Ja, toen al. Die gesprekken met zichzelf duren meestal niet lang, minuutje of zo. Het wordt fysiek zwaarder, absoluut. Maar in Nederland gooi je meestal één keer per week, dat is ook te doen voor een 41-jarig lichaam. Stel, hij mist een toernooi, vanwege dat lichaam. Dan kan het zomaar afgelopen zijn. Maar als hij gooit zoals hij dat kan, is hij niet bang niet meer geselecteerd te worden. Hij moet niet allemaal pijntjes krijgen, dat is het meer. Hij wil zichzelf niet voor lul zetten. En als hij opeens klappen zou krijgen, als dan eindelijk het moment daar is dat alle slagmannen hem doorhebben, dan zou hij gaan nadenken. Geen idee of dat moment ooit nog komt.

Uiteindelijk gaat het ook nog even over het EK. Dat het niet heel goed zou zijn als Nederland dat niet zou winnen. Spanje schijnt best een aardige ploeg te hebben, en Italië is natuurlijk altijd gevaarlijk. Dat zal allemaal wel. Nederland heeft de beste ploeg, punt. Hij hoopt vooral dat er veel mensen komen. Daarom speelt hij die grote toernooien nog zo graag. Niet altijd maar voor die honderd man spelen. Hij is blij dat Andruw Jones hierheen is gekomen om de bondscoach te assisteren. Ook al speelt hij niet meer, voor hem komen mensen naar het stadion toe. Oud-speler van onder meer de Yankees, een echte Nederlandse honkbalsuperster was hij. Dé Andruw Jones noemt hij hem. Voor dé Rob Cordemans komen mensen niet naar het stadion, zegt hij. Hij begint te lachen. Die hebben ze inmiddels al te vaak gezien.