Oogpunt

0610CULellen1

Toen ik nog caloriearm was, schreef ik een masterscriptie over 9/11-literatuur. Sindsdien herlees ik in september altijd een van de romans die ik voor dat onderzoek onder de loep nam. Nu de aanslagen haar vijftiende verjaardag naderden, koos ik voor The Good Life (2006) van Jay McInerney: een literaire soap over hoe de hogere regionen van de New Yorkse samenleving omgingen met de aanslagen. Zo zat ik donderdagmiddag op de trap in een overvolle dubbeldekkertrein te lezen. Bij station Leiden Central sprong er een Marokkaanse Nederlander van een jaar of dertig naar binnen. Hij ging naast me zitten, pakte een boek uit zijn tas en vroeg wat ik las.

„Een roman over 9/11”, zei ik, blij verrast over zijn vraag.

„Is het wat?”

„Het leest heerlijk weg, maar het vertelt nauwelijks over de gevolgen van de aanslagen. Dat is vermoedelijk ook het punt. Het gaat over de New Yorkse upper class die na het instorten van het WTC gewoon verder gaat met waar ze het liefst mee bezig is: vreemdgaan. Het is net Anna Karenina, maar dan zonder trein.”

„Ik denk dat die roman de verkeerde hoofdpersonen heeft”, lachte hij. „Als je over 9/11 wilt vertellen, moet je dat doen vanuit het oogpunt van iemand die er Arabisch uitziet en in een westers land woont.”

Hij vertelde dat op de avond na elf september 2001 zijn twee oudste broers op straat werden achtervolgd en voor terrorist werden uitgemaakt. Zelf werd hij opeens geweigerd in de discotheek waar hij daarvoor altijd binnenkwam. Een Italiaanse vriend die eruit zag als een Afghaan, werd in die week drie keer door de politie aangehouden zonder duidelijke reden.

Zo had ik het nog niet bekeken. 9/11 had misschien niet direct consequenties voor blonde vikingen, maar wél voor voor mensen met een Arabisch uiterlijk. Het triggerde niet zozeer Islamofobie als wel Arabofobie. Hoewel er tijdens de aanslagen ruim drieduizend mensen omkwamen, gingen vooral de portretten van de daders de wereld over: dat werden de gezichten van 9/11. De slachtoffers bleven in de torens, anoniem, in een schemergebied tussen leven en dood.

De man zweeg even.

„Wat fijn dat je me allemaal vertelt”, zei ik.

„Ja”, zei hij. De trein minderde vaart. „Ik moet er zo uit.”

„Ik heb niet eens gevraagd wat jij aan het lezen bent!”, zei ik.

„Oh, gedichten van Rumi”, antwoordde hij met een glimlach. Hij stond op, gaf me een hand en stapte de trein uit.

Toen draaide hij zich om. „Rumi schrijft dat het niet onze taak is om naar liefde te zoeken, maar om slechts de barrières die we in onszelf ertegen hebben opgericht, te vinden”, riep hij.