Oerjager is hongerige sappelaar

Antropologie

Het leven in de oertijd wordt vaak voorgesteld als oergezond en ontspannen. Maar het bestaan van jagers-verzamelaars was en is vol stress, honger en doodslag.

Hadza-jager met een aap op zijn schouder Foto Jay Dickman/National Geographic

De zon komt op boven het Eyasimeer in Tanzania als twee heel verschillende mannen door de savanne lopen. Spencer Wells, een Amerikaans geneticus en auteur van bestsellers als The Journey of Man, speurt met Hadza-gids Julius een dagje naar groot wild. De Amerikaan kijkt bewonderend toe als Julius nauwelijks zichtbare sporen van olifanten, impala’s en tal van andere diersoorten herkent in de zandige bodem. ’s Avonds zit Wells aan het kampvuur als de jagers elkaar verhalen vertellen in ondoorgrondelijke klikklanken, die niets gemeen hebben met de taal van het naburige herdersvolk. In die paar dagen bij de Hadza, schrijft Wells in zijn boek Pandora’s Seed, ‘voelde ik me bevrijd’ en ’herontdekte ik een schat aan lang verloren vaardigheden’.

De Hadza zijn de laatste jagers-verzamelaars van Oost-Afrika. Die status trekt westerse onderzoekers die iets willen leren over een uitstervende leefwijze, die steeds meer wordt geïdealiseerd. Over de sociale organisatie van deze zwerfgroepen zonder hiërarchie, over hun ‘paleolithisch dieet’ van knollen en dierlijke eiwitten, over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Over ‘oervormen’ van menselijk samenleven, die niet alleen antropologen interesseren, maar ook lezers van glossy magazines in het Westen. Een beetje ironisch is het wel. Nu jagers-verzamelaars overal ter wereld moeten wijken voor de globalisering – de jachtgronden van de Hadza dreigen verkocht te worden aan een safari-ondernemer uit de Arabische Emiraten – raken westerlingen onder de indruk van hun eenvoudige levenswijze.

Bekijk hier hoe Hadza jagen:

Tot zo’n tienduizend jaar geleden leefden alle mensen van de jacht en de inzameling van wilde vruchten en knollen. Toen gingen sommigen wilde gewassen aanplanten en oogsten. Landbouw bracht voorraadvorming, bevolkingsconcentraties op een vaste plek, verschillen in bezit en aanzien, verstedelijking en staatsvorming. En uiteindelijk industrialisering met, jawel, massaconsumptie, aantasting van het milieu en opwarming van de aarde. Aan het begin van de 21ste eeuw stellen ook serieuze wetenschappers als Wells zich de vraag of er met die landbouwrevolutie niet iets wezenlijks verloren is gegaan: bewegingsvrijheid, kleine, egalitaire gemeenschappen, beperkte behoeften, matig en gezond eten en een symbiotische verhouding tot de natuur. Kortom: hadden we het eigenlijk niet beter toen we nog jaagden en verzamelden?

Voor een antwoord op die vraag moeten we afgaan op het summiere archeologische archief van de Oude Steentijd – menselijke resten; sporen van kampen; stuifmeelkorrels in de bodem. Een andere bron zijn de jagers-verzamelaars van vandaag, en die van gisteren. Over hun kwaliteit van leven hebben antropologen in de loop der jaren heel verschillend gedacht. En dat doen ze nog steeds.

Negentiende-eeuwse volkenkundigen hadden geen hoge dunk van jagers-verzamelaars. Die bestaanswijze noemden ze ‘savagery’, een stadium dat in hun evolutionaire schema voorafging aan zelfvoorzienende landbouw (‘barbarism’), landbouw voor de markt en verstedelijking (‘civilisation’).

Dit waren studeerkamergeleerden, maar de eerste veldonderzoekers dachten er niet veel anders over. Tot diep in de twintigste eeuw beschouwden antropologen de jagers-verzamelaars als weinig benijdenswaardig. Ze zouden van zonsopkomst tot zonsondergang moeten sappelen om hun leeftocht bij elkaar te zoeken, in een hardvochtige natuurlijke omgeving, zonder vrije uren voor ‘cultuurontwikkeling’. Melville J. Herskovits, de grondlegger van Afrikastudies in de VS, sprak voor de meeste collega’s toen hij in 1952 schreef: ‘Voor een Zuid-Afrikaanse Bosjesman of een inheemse van Vuurland, die altijd op de rand van de honger leeft, draait alles om voedsel. (…) Er is weinig energie over en de hulpmiddelen ontbreken voor andere activiteiten dan de zoektocht naar eten.’ Dit was een wereld die het verdiende te verdwijnen en wetenschappers zagen de overgang naar landbouw dan ook als vooruitgang.

Kritiek op kapitalistisch credo

Foto’s Matthieu Paley/ National Geographic Creative

Hazda in Tanzania tijdens de jacht op apen (foto links) en op vogels (rechts) en in de woning van een van de jagers ’s avonds (midden). Foto’s Matthieu Paley/ National Geographic Creative

Dat beeld kantelde in de jaren 60. Dit kwam deels door het culturele milieu waarin sociale wetenschap werd bedreven. Er klonk aan westerse universiteiten steeds luider kritiek op het kapitalistische credo van economische groei en massaconsumptie. Intussen werd ook meer onderzoek gedaan in nog bestaande gemeenschappen van jagers-verzamelaars, onder meer in Australië en Zuidelijk Afrika. Het was tijd voor een nieuwe balans. De antropologen Richard B. Lee en Irven DeVore belegden in 1966 in Chicago een historische conferentie met als thema ‘Man the Hunter’. Een kleine honderd vakgenoten uit de hele wereld wisselden daar onderzoeksgegevens uit. De neerslag in boekvorm (Man the Hunter, 1968) is een fascinerende catalogus van een verdwijnende levenswijze.

De conferentie in Chicago formuleerde de kenmerken die alle groepen jagers-verzamelaars gemeen hebben en die Lee en DeVore de ‘nomadische stijl’ noemden. Zij leven in kleine, mobiele groepen van niet meer dan vijftig personen, het trekkende bestaan houdt hun persoonlijke bezittingen beperkt tot jachtgerei en eenvoudige gereedschappen. Geen enkele groep heeft exclusieve rechten op een bepaald grondgebied, ze delen en consumeren doorgaans alle voedsel dat ze vinden en leggen nauwelijks voorraden aan. Het natuurlijke milieu fungeert als voorraadschuur. Individuen zijn vrij om van groep te wisselen en paren kunnen zich voegen bij de groep van de man of bij die van de vrouw. Gewelddadige conflicten komen voor, maar geschillen worden meestal opgelost door afscheiding en vertrek. Daardoor blijft er orde in een gemeenschap zonder gezag van bovenaf.

Uit de conferentie kwam een radicaal nieuw beeld naar voren: jagers-verzamelaars waren ‘de oorspronkelijke welvarende samenleving’ (‘the original affluent society’). De term werd gelanceerd door Marshall Sahlins, een antropoloog verbonden aan de Universiteit van Michigan. Hij zei het zo: ‘Een welvarende samenleving is er een waarin de behoeften van allen zonder veel moeite worden bevredigd’. Sahlins baseerde zijn oordeel vooral op twee kwantitatieve veldstudies van tijdbesteding. De ene was in 1948 gedaan door de antropologen Fred McCarthy en Annie Margaret McArthur onder vier groepen Aboriginals in het Australische Arnhem Land (gepubliceerd in 1960); de andere was in 1964 uitgevoerd door de Canadees Richard B. Lee onder !Kung Bosjesmannen van de Kalahari.

Sahlins beweerde dat deze mensen in hun levensbehoeften konden voorzien door 15 tot 20 uur jagen en verzamelen per week. In een latere versie van zijn essay, opgenomen in de bundel Stone Age Economics (1972), concludeert Sahlins uit het onderzoek van James Woodburn bij de Hadza (1969) dat zij ‘over een heel jaar genomen waarschijnlijk niet meer dan twee uur per dag besteden aan het verkrijgen van voedsel’. Alle bestaande gegevens bijeengenomen, schrijft Sahlins, ook die over groepen in marginale natuurlijke milieus, werken volwassen jagers-verzamelaars, mannen én vrouwen, niet langer dan drie tot vijf uur per dag. Dit is aanzienlijk korter dan de gemiddelde werkdag in industriële samenlevingen. Bovendien zou het werk niet erg zwaar of veeleisend zijn. Met hem kenmerkende ironie vergeleek Sahlins de werkuren van jagers met die van ‘bankpersoneel’ en hun omzwervingen in het veld met ‘een dagje picknicken aan de Theems’.

Kunstmatige omstandigheden

1009ZATWEThadza3

Sahlins’ definitie van een ‘welvarende samenleving’ ging lijnrecht in tegen een axioma van de klassieke economie: schaarste op grond van veronderstelde ongelimiteerde behoeften. Volgens Sahlins zijn de behoeften van jagers-verzamelaars juist eenvoudig te bevredigen omdat ze beperkt zijn. Sahlins, Lee en anderen destilleerden uit het in Chicago gepresenteerde materiaal een positief beeld van de levenskwaliteit van jagers-verzamelaars. Ze zouden niet lijden onder ‘stress’ en zich weinig zorgen maken over de dag van morgen. Ze zouden gezond eten, in staat zijn te delen en weinig betekenis hechten aan materiële bezittingen. Dat beeld van het jagersbestaan heeft nog steeds invloed, maar het vele onderzoek dat in de laatste halve eeuw is gedaan heeft het flink gerelativeerd.

McCarthy en McArthur hebben later toegegeven dat hun tijdbestedingsonderzoek in Arnhem Land, waar Sahlins zwaar op leunde, had plaatsgevonden onder nogal kunstmatige omstandigheden. De meeste Aboriginals in het gebied kregen in 1948 al regelmatig aanvullend voedsel van de zending, zoals meel, rijst en suiker. De deelnemers aan het experiment moesten worden verleid om tijdens het onderzoek niet terug te vallen op zulk niet-traditioneel voedsel. Een van de vier onderzoeksgroepen was opgepikt bij een zendingspost en enkele mannen hadden na vijf dagen zo genoeg van traditioneel voedsel dat ze dreigden weg te lopen om meel en rijst te kopen.

Een studie uit 1979 van Jon Altman en John Nieuwenhuysen schetst de beperkingen waaraan zwerfgroepen van Aboriginals vanouds waren onderworpen. ‘Traditionele clans’, schreven zij, ‘waren nomadisch en de opbrengst van hun voedselvergaring was bederfelijk of immobiel en dat stelde een bovengrens aan de vraag. In ‘normale’ tijden waren niet veel uren nodig om aan dat plafond te komen. Maar in geval van overstromingen of droogtes was de maximaal beschikbare arbeidsinzet ontoereikend om dit voedselplafond te halen en deden zich tekorten voor. Dat betekende honger of de noodzaak het jachtterrein te verleggen naar gebieden waar doorgaans andere clans opereerden.’

Het aantal uren dat wordt besteed aan jagen en verzamelen zegt niets over de gevaren en gezondheidsrisico’s daarvan

Wat de ‘werktijden’ betreft, merkten Kristen Hawkes en James O’Connell in 1981 op dat Richard Lee in zijn berekening niet de uren meetelt die nodig zijn voor de verwerking en bereiding van jachtbuit en verzameld voedsel. En Lee generaliseerde zijn bevindingen voor de natte periode van de jaarcyclus in de Kalahari naar het hele jaar. In zijn dissertatie uit 1965 schreef hij dat in de droge tijd (augustus-oktober) ‘de San zich bovenmatig moeten inspannen voor een goed dieet of anders genoegen moeten nemen met voedsel dat zij in tijden van overvloed minder wenselijk vinden of minder voedingswaarde heeft. In die magere maanden benadert het leven van de San de precaire omstandigheden die doorgaans worden geassocieerd met het bestaan van jagers-verzamelaars.’

1009ZATWEThadza2

De medische onderzoekers Stewart Truswell en John Hansen schreven in 1976 dat de San in die magere maanden van het jaar ‘wortels en knollen eten met een hoog vochtgehalte en een lage calorische waarde’. Zij betwijfelen op grond van eigen onderzoek dat het dieet van de !Kung San voldoet aan minimale behoeften. Chronische of seizoensgebonden calorietekorten zijn volgens hen de voornaamste reden dat volwassen San extreem tenger blijven en niet zo lang worden als leden van landbouwende buurvolken. Melvin Konner, een neuroloog en antropoloog die ook onderzoek deed bij de !Kung San, schreef in 1983: ‘Het is merkwaardig dat een maatschappij met een kindersterfte van 50 procent en een levensverwachting bij geboorte van zo’n dertig jaar wordt bestempeld als een “welvarende samenleving”.’

Hoe (on)veilig is het jagersbestaan eigenlijk? Het aantal uren dat wordt besteed aan jagen en verzamelen zegt niets over de gevaren en gezondheidsrisico’s daarvan. Kristen Hawkes schreef in 1993 dat jagers van de Hadza, !Kung en Ache (een volk in het oosten van Paraguay) bewust fysieke risico’s lopen, omdat ze daarmee aanzien verwerven in de groep. Volgens de Britse evolutionaire bioloog John Haldane waren in het grootste deel van de menselijke geschiedenis verwondingen de belangrijkste doodsoorzaak. Besmettelijke ziekten werden dit pas na het ontstaan van landbouw en grote bevolkingsconcentraties. Die verwondingen waren niet alleen het gevolg van ongelukken tijdens de jacht, maar ook van gevechten met andere groepen.

Uniek laboratorium

Hedendaagse jagersvolken onderscheiden zich volgens sommige auteurs door hun vredelievendheid. Maar dat is niet altijd zo geweest. De Israëlische historicus Azar Gat, auteur van het boek War in Human Civilization (2006), noemt Australië ‘een uniek laboratorium voor de studie van jagers-verzamelaars’. ‘Het is het enige continent waar dit samenlevingstype zich heeft gehandhaafd in alle ecologische en klimaatzones, zonder enig contact met landbouwers en herders. Elders werden zij door zulke groepen verdrongen naar droge gebieden. Verder zijn de meeste jagers-verzamelaars buiten Australië bestudeerd in het midden van de 20ste eeuw, toen er in hun gebieden al sprake was van staats- en politioneel gezag. Dat was nog niet het geval bij Aboriginalvolken die zijn beschreven aan het eind van de 19de eeuw. Zij voerden intensief oorlog.’.

‘De jager’, schreef Sahlins in 1972, ‘is relatief vrij van materiële druk’ en zijn gevoel voor eigendom is ‘onontwikkeld’. ‘Maar hoe komt het dan’, vroeg Jon Altman zich in 1992 af, ‘dat bij de [Australische] Momega een schijnbaar onstilbare vraag bestaat naar geweren, motorvoertuigen, tv’s, cassette- en videorecorders?’ Antropologe Polly Wiessner schreef in 1982: ‘Je kunt van de hedendaagse bewoners van /Xai/Xai [een San-nederzetting] niet zeggen dat bezit voor hen een last is (…) De meeste bezittingen, van traditionele kralen van struisvogeleierschaal tot schoenen en polshorloges zijn zeer gewild.’ En Julius, de Hadzagids van Spencer Wells, werkt een deel van het jaar in een wildpark om geld te verdienen voor medicijnen en andere gewilde artikelen.

Verschillende onderzoekers hebben opgemerkt dat het gelijkheidsideaal van jagers-verzamelaars wordt gehandhaafd met extreme vormen van sociale druk. Weigering om te delen kan leiden tot ridiculisering, dreigementen en zelfs moord. Patricia Draper schreef dat de !Kung elkaar dagelijks lastigvielen met de vraag om van alles te delen. Dat liep soms zo hoog op dat zij zich afvroeg hoe de !Kung het met elkaar uithielden. De Britse antropologe Colette Lebesque kwam er onlangs achter dat Hadzajagers een groter deel van hun jachtbuit onderweg verorberen dan delen met groepsgenoten als ze terug zijn in het kamp. Haar Australische collega Victoria Burbank ontdekte dat de Aboriginals van Arnhem Land voedsel of spullen verstoppen; ze weggeven en er toch gebruik van blijven maken. Dan kunnen ze tegen vragers zeggen dat zij ze niet meer hebben. Mensen gaven Burbank tabak of kostbare spullen als bandrecorders in bewaring met de opdracht ze vooral niet weg te geven. Zij zou als white fella namelijk ‘sterke ingewanden’ hebben, dat wil zeggen: beter zijn in ‘nee’ zeggen dan de eigenaren zelf.

Dat alles is stof tot nadenken voor wie in jagers-verzamelaars voorbeeldige ‘oermensen’ ziet, die nog hebben wat wij, westerlingen, kwijt zijn. Wij hebben veel dat zij ook willen, maar de enkeling die het bemachtigt, heeft in de groep geen leven. Het bestaan aan de rand van de wereld is zwaar.