‘Ik ben woest’

George van Houts

bereikte de politiek met zijn toneelstukken over banken en geld. ‘Bankiers lachten me uit. Maar nu niet meer.’

Oeioei, mailt acteur George van Houts (58), „dat gaat heel moeilijk worden”. Hij zit „tot aan z’n nek” in de repetities van de volgende voorstelling, de vierde alweer, waarin hij de grootmachten, de fraudeurs en veelverdieners van deze tijd de maat neemt. Een lunchafspraak maken lukt niet, maar op tijd ontbijten dat kan wel. We spreken af in het enige zaakje in Amsterdam-Oost dat vroeg open is én dichtbij de repetitieruimte is waar hij met De verleiders oefent. De verleiders, dat zijn de acteurs Pierre Bokma, Leopold Witte, Tom de Ket, Victor Löw en hijzelf. Avond aan avond vertellen zij aan volle zalen wat er fout zit bij de banken, de vastgoedbedrijven en het financiële systeem. De volgende voorstelling Slikken en stikken komt in oktober en gaat over de ‘pillendraaiers en premiejagers’ van de farmaceutische industrie.

‘Stand-up colleges’ worden hun toneelstukken wel genoemd. Je kunt het ook donderpreken noemen, of gewoon opruiend theater. Wat werd het publiek bij Door de bank genomen verteld? Dat iedereen met een hypotheek, een lening, of een bankrekening, dus zeg maar iedereen, systematisch wordt voorgelogen, opgelicht en misleid. Door wie? Door bankiers van ‘grootbanken’. En waarom doen bankiers dat? Omdat ‘het systeem’ hen daartoe dwingt. Van deze voorstelling heeft George van Houts nu ook een boek gemaakt. Stel je daarbij geen leesboek voor, het is meer een pamflet, het economieboek dat je op de middelbare school niet las. Het is, zegt hij, een „Okkie en Taptoe-werkboek” voor financiële onbenullen. En een onbenul, dat is vrijwel elke Nederlander, inclusief hijzelf. „Ik heb ook alle financiële blunders begaan.”

Aha, interessant, vertel. „Nou ja, er zijn jaren geweest dat niet alleen bankiers, maar ook consumenten gelddronken waren.” In die booming jaren negentig heeft hij dus ook een veel te duur huis laten bouwen aan het water, op IJburg, een Vinex-wijk op kunstmatige eilanden in het oosten van Amsterdam. Hij kon dat betalen, omdat hij eerder als beginnend acteur zijn toenmalige huurwoning in de stad voordelig kon kopen van de woningbouwvereniging. „Voor honderdduizend gulden.” Hij lacht. „Daar lag ik wakker van.” Vier huizen later – elk met overwaarde verkocht – kwam die villa aan het water. Twee jaar geleden heeft hij die verkocht, nadat het huis tweeënhalf jaar te koop had gestaan. „Het stond nog net niet ónder water.” Nu woont hij, met zijn vrouw en twee kinderen (zijn jongste dochter en haar jongste zoon) in een rijtjeshuis. „Als alle kinderen weg zijn, overweeg ik weer te gaan huren.”

Twee jaar geleden, reken ik hardop. Zijn toenmalige vrouw overleed toen. Verkocht hij daarom het huis? Nee, zegt hij. Die villa moest weg, omdat ik het belachelijk vond dat ik tot mijn tachtigste krom moest liggen om alleen de rente op de hypotheek te betalen.” Bovendien, hij wilde vrij zijn. Vrij om te stoppen met cabaret, wat hij tot 2010 gedaan had. Hij wilde „Griekse tragedies” maken over „het nu”, over de zakelijke moraal en de financiële hygiëne. Dat die voorstellingen door honderdduizenden mensen bezocht zouden worden, dat er Kamervragen over het geldsysteem gesteld zouden worden, dat de minister van Financiën een onderzoek zou gelasten en dat de WRR, de adviesraad van de regering, dat zou gaan uitvoeren, nee, dat had hij nooit kunnen bevroeden.

Acteurs schrikken wakker

Zo ging het ook niet meteen. „In het begin lachten bankiers ons gewoon uit.” Voorzichtig begin ik te zeggen dat ik dat wel een beetje begrijp. De voorstelling laat zich samenvatten als: acteurs schrikken wakker en realiseren zich dat er zoiets bestaat als kapitalisme. Wat volgt is een bombardement van cijfers en feiten waar niet een, twee, drie iets tegenin te brengen valt, zeker niet als je geneigd bent het eens te zijn met de laatste spreker. Maar je voelt dat er ergens in hun verhaal iets wringt. Wie op school heeft opgelet, en af en toe de krant leest, zeg ik, zou toch moeten weten...

„Ik héb gewoon vwo gedaan, ik lees de krant”, zegt George van Houts. „Maar wist jij van wie het geld is dat op jouw bankrekening staat? Niet van jou hoor, maar van de bank.” Daar kwam hij ook pas achter toen hij research deed voor Door de bank genomen. „Toen stuitte ik op het systeem van geldcreatie. Niet De Nederlandsche Bank of het ministerie van Financiën maakt ons geld, maar de particuliere, commerciële banken.” Hij dacht ook eerst dat het alleen maar „internetgekkies” waren die complotten vermoedden achter ons geldsysteem. Maar hij vroeg het aan economen. „En die bevestigden: banken zijn de baas.”

Zijn medeacteurs wisten dat niet, het publiek niet, niemand niet. „We speelden de voorstelling voor tweehonderd medewerkers van De Nederlandsche Bank. Het verontrustende was: ze spraken ons niet tegen. Waarom zouden de mensen dit moeten weten?, zei de baas Klaas Knot na afloop tegen me. ‘Dat maakt mensen maar bang.’” Uitgelachen wordt hij niet meer. Banken en bedrijven nodigen hem uit als spreker en sturen hun personeelsleden naar zijn voorstelling. „En professor Arnold Heertje is nu zijn economisch leerboek aan het herschrijven en univ ersiteiten passen hun curriculum aan.” Fijn, zeg ik, dat hij nu ook nog ‘de slimste mens’ is geworden. Hij won vorige week de finale van het quizprogramma. Hij lacht bescheiden. „Ik ben gewoon een burger die is gaan lezen. Ik ben erachter hoe verrot het systeem is en wil dat aan iedereen vertellen.”

Maar dat systeem van geld creëren door het uit te lenen, heeft er toch maar mooi voor gezorgd dat hij als 28-jarige met geleend geld van de bank negen maanden kon gaan zeilen op zee? „Jaha, maar dat was een andere tijd. Dertig jaar geleden. Toen had je nog een persoonlijke relatie met de mensen bij de bank. Ik kende de bankdirecteur. Zijn zoon was verslaafd, hij woonde in een kraakpand. Hij kwam elke dag aan de balie van zijn vaders bank en dan kreeg hij een tientje mee. Ik dreigde ook ten onder te gaan in het wilde Amsterdam. Drank, cocaïne. Ik moest weg. Die bankdirecteur vertrouwde me en leende me vijfduizend gulden.” Alles afgelost? „Tot op de laatste cent.” Afgekickt? „Ook dat nog.”

Altijd zuinig

Maar, zegt hij, dit is allemaal micro. „We moeten het hebben over het macroverhaal.” De welvaart die de afgelopen dertig jaar gestegen is, is dat macro genoeg? „De welvaart stagneert juist”, zegt hij en hij begint over de geldhoeveelheid die in 1980 nog overeen kwam met de reële economie, maar nu 500 maal groter is. „We leven in een luchtbel. Wij teren op de welvaart die de generatie na de oorlog heeft opgebouwd.” De generatie van zijn ouders. Zijn vader had een reclamebureau met tachtig man personeel. Zijn moeder zorgde voor de vijf kinderen, van wie George nummer vier is. „Mijn vader heeft zich letterlijk kapot gewerkt. Altijd zuinig, altijd bezorgd, ontzegde zichzelf alles. Deed rustig twee jaar met één kostuum. Wij leven op hun welvaart. Op de pof. Dat voelen wij misschien nu nog niet, maar de mensen aan de onderkant van de samenleving wel.” Maar die zitten niet bij hem in de theaterzaal, zeg ik. „Wel.” Kunnen ze dat betalen? „Met een stadspas hoop ik van wel.”

Nog even terug naar micro. Als banken niet te vertrouwen zijn, hoe bewaart hij dan zijn geld? „In bitcoins en in edelmetalen.” Hij telt op zijn vingers. „Rabo, ING, Van Lanschot. O ja, en Triodos natuurlijk, sympathiek imago, maar onderdeel van hetzelfde systeem.” Hij is het aantal banken aan het tellen waarover hij zijn tegoeden heeft verdeeld. Het zijn er zes. Hij zegt: nooit het salaris van je vrouw, je hypotheek en de studiefinanciering van je kinderen op één rekening stallen. Je moet compartimenteren, je geld spreiden. „Er hoeft maar iets te gebeuren, of ze pakken je alles af. Die verhalen ken ik.” Sparen doet hij niet. Verzekeringen vindt hij onzin, „allemaal angsthandel”, maar hij heeft onlangs toch maar een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. „Zeer tegen mijn principes.”

Niet mis wat hij op het toneel en in zijn boek allemaal oprakelt, zeg ik. Hij haalt de Bijbel, de Thora en de Koran erbij om het „systeem” te vervloeken. Hij spreekt van rente die woekert als een kankercel, de burger die als een melkkoe wordt uitgewrongen, hij roept de revolutie uit. „Op naar de Zuidas, op naar het Binnenhof.” Misschien niet zo gek dat de minister een onderzoek gelast, al was het maar om een volksopstand in de kiem te smoren? „Ik hoop op vreedzaam verzet. Zoals destijds met de Brent Spar.” De olieopslagtanker op zee die Shell na een wereldwijde boycot moest ontmantelen in plaats van te laten zinken.

De vraag is, hoe houdt hij het vreedzaam? George van Houts is woest, hij zegt het zelf. Maar hoe doseert hij die woede op het toneel? „Wij, de verleiders, hebben het daar vaak en veel over.” En ze zijn het met elkaar eens? „Niet altijd. Ik ben bezig met een solovoorstelling voor maart 2017. Kom-plot gaat die heten. Daarin pluis ik nog wat meer zaken uit waarvan de officiële lezing niet blijkt te kloppen. De moord op Kennedy, 9/11. Rare kwesties.” Een solovoorstelling? Hij knikt. „Ik kreeg De verleiders niet mee.” Vinden ze hem te ver gaan? „Tom en Leopold wel ja. Victor en Pierre wilden wel meedoen. Maar het is of allemaal unaniem, of ik alleen.” Nee, hij is niet boos of teleurgesteld. Hij heeft vaker ongeloof en scepsis getrotseerd. Maar hij wil ook niet uitsluiten dat hij het mis heeft. „Misschien wordt dit wel mijn Icarusvlucht en stort ik straks alsnog uit de lucht.”