Iets kapot maken is lekker

Bas Heijne leest Freuds ‘Het onbehagen in de cultuur’ en snapt beter waarom boze burgers zo agressief zijn. „Als de wereld zich niet aan jouw verlangens aanpast, moet die wereld worden vernietigd.”

Begin dit jaar woonde ik een verkiezingsbijeenkomst bij van Donald Trump. Het was nog tijdens de primaries, de locatie was de Verizon Arena in Manchester, New Hampshire. Buiten was het bitterkoud, er was een ware sneeuwstorm aan de gang. Vanwege de veiligheidsmaatregelen moest ik lang, klappertandend, in de rij staan. Het publiek was geduldig op z’n Amerikaans, men stond keurig en ontspannen pratend op zijn beurt te wachten. Er waren veel echtparen bij, maar ook groepjes jonge mannen, en mannen alleen. De meesten behoorden tot wat je in het Engels de lower middle class zou noemen.

Binnen in de arena was de sfeer verwachtingsvol, alsof men in afwachting van een spektakel verkeerde. Tussen de zes- à zevenduizend man publiek liep een Trump-lookalike handenschuddend rond. Een man liep langs de tribunes met een bord waarop VOTE TRUMP. KILL CRUZ stond. (Ted Cruz gold op dat moment nog als Trumps belangrijkste politieke rivaal voor het kandidaatschap van de Republikeinen.)

Tijdens de zwalkende speech die Trump die avond gaf, regende het beloftes die zich niets van welke werkelijkheid dan ook leken aan te trekken. Kwesties die complex en moeilijk beheersbaar leken, werden in een paar woorden teruggebracht tot simpele frases. Klimaatverandering bijvoorbeeld. Trump: „They want us to talk about climate change. I say: look outside. Luid applaus.

Ik voelde de aantrekkingskracht van de brutale versimpeling die een politicus als Trump op alles toepast. De gigantische toename in kennis, samen met het wereldwijde perspectief dat ermee gepaard gaat, het besef dat alles met alles verknoopt is geraakt tot een schier onontwarbare kluwen, heeft voor steeds meer mensen de wereld en hun eigen rol daarin onbeduidend en onoverzichtelijk gemaakt. Het populisme van Trump, en van zoveel andere hedendaagse politici, beantwoordt aan de twee grote verlangens van onze tijd: het maakt de wereld weer simpel en overzichtelijk en het geeft de burger de illusie van zelfbeschikking terug, het idee dat hij de wereld toch weer gewoon naar zijn hand kan zetten. Anders gezegd, dat hij niet langer object is, maar gewoon weer subject.

Ik wil mijn land, mijn geld, mijn vrijheid terug.

Dat gaat vanzelfsprekend met woede en frustratie gepaard, aangezien er ook vijanden worden aangewezen die de verwezenlijking van dat zelfbeeld dreigen te dwarsbomen – dat zijn de buitenstaanders die jouw wereld dreigen over te nemen. Maar het zijn vooral de mensen die je willen verhinderen de wereld te zien zoals jij wilt – de elite die de idealen van de Verlichting belijdt, in ieder geval met de mond, de rekkelijken die de zuivere islam hebben verraden en de experts die feiten blijven aandragen die niet stroken met jouw gewenste wereldbeeld.

In het beroemde, late cultuurkritische essay Das Unbehagen in der Kultur (1930) gaat Sigmund Freud uit van een onoplosbare spanning tussen een individu en de samenleving of cultuur waar hij deel van uitmaakt. Daarin past Freud een aantal basisbegrippen uit zijn psychoanalyse op onze cultuur als geheel toe. De oerdriften in een mens, seksueel en gewelddadig, worden getemd door wat beschaving heet. Die beschaving schept een leefbare orde, stelt regels en geboden en biedt een mens bescherming, maar schept zelf ook weer problemen – de neuroses, remmingen en psychische verdringingen die door de psychoanalyse aan het licht gebracht zouden worden.

De voornaamste oerdrift in de mens, door Freud het ‘lustprincipe’ genoemd, is erop gericht een zo groot mogelijk genot en geluk te beleven – dat is de bewuste en onbewuste motivatie van al ons handelen. We willen het zo goed mogelijk hebben. Maar we zijn ons er tegelijkertijd van bewust dat we niet zomaar al onze verlangens kunnen uitleven, omdat we onszelf – en anderen – daarmee schade toebrengen. Dat lustprincipe wordt zodoende geconditioneerd door wat Freud het ‘realiteitsprincipe’ noemde. Niet alles wat we willen, is ook mogelijk – of in ieder geval niet meteen.

Bijvoorbeeld: ik wil een dure sportauto kopen, maar weet dat ik, wanneer ik daar in één klap al mijn geld aan uitgeef, mijn gezin niet meer zal kunnen onderhouden. Dus stel ik de aanschaf uit, maar blijf ervan dromen – en ga ik ervoor sparen, zodat ik wellicht eens, op een dag… Ik droom van grootscheepse orgieën waarin iedereen het met iedereen doet, maar besef dat mijn relatie op het spel komt te staan wanneer ik aan dat verlangen toegeef, dus zie ik er (voorlopig) vanaf. Ik wil een wereldreis maken, alles achter laten, al mijn schepen achter mij verbranden, maar weet dat zo’n reis bakken met geld kost, ik zal er dus eerst voor moeten werken en sparen; de droom laat zich niet zomaar verwezenlijken.

En zo gaat het steeds, iedere dag opnieuw, een leven lang. Ik weet, kortom, dat wat zich in mijn hoofd (en hart) bevindt, zich niet klakkeloos laat uitleven en verwezenlijken in de wereld waar ik deel van uitmaak. Het schuurt, het wringt en vaak frustreert het, maar ik erken dat ik de buitenwereld niet in één klap naar mijn hand kan zetten.

Toen hij Het onbehagen in de cultuur schreef, begreep Freud dat die schematische voorstelling die hij in eerdere essays had uitgewerkt, te gerieflijk was. Je zou kunnen zeggen dat hij inzag dat de ordening van lustprincipe en realiteitsprincipe te rationeel was – het verklaarde niet de menselijke (zelf)vernietigingsdrang. Ergens in die menselijke psyche bevond zich een drift die minstens zo sterk was als de menselijke zucht naar genot – Freud noemde het de ‘doodsdrift’.

Ook moest hij toegeven dat ook de neiging tot destructie een manier van lustbevrediging kan zijn. Geweld is vaak gewoon lekker, pijn en vernietiging een vorm van bevrediging die niet enkel voortkomt uit de frustraties waarmee een burgerlijk-moralistische samenleving ons opzadelt. Het is zoals Dostojevski zijn bitter-sarcastische ik-persoon laat zeggen in Aantekeningen uit het ondergrondse: „Soms wil een mens gewoon iets stukmaken.”

De menselijke beschaving was zodoende nooit een gelopen race – ze liep altijd het gevaar door de mens zelf vernietigd te worden. In Het onbehagen in de cultuur schrijft Freud: „Het bestaan van deze agressieve neiging die wij bij onszelf kunnen bespeuren en bij anderen met recht aanwezig veronderstellen, is de factor die onze relatie met onze naaste verstoort en de cultuur tot haar verbruik van energie dwingt. Vanwege deze primaire vijandigheid tussen de mensen wordt de cultuurgemeenschap permanent bedreigd door verval. Het belang van de werkgemeenschap zou haar niet bijeenhouden, driftmatige hartstochten zijn sterker dan rationele belangen. De cultuur moet alles in het werk stellen om paal en perk te stellen aan de agressiedriften van de mens, om hun uitingen te bedwingen door psychische reactieformaties.”

De aansporing om je naaste lief te hebben als jezelf, sombert Freud, is niets anders dan een verheven bezwering van de cultuur om haat en geweld in te dammen, want niets druist zo sterk in ‘tegen de oorspronkelijke menselijke aard’.

Het essay van Freud over het onbehagen in onze cultuur laat mij de gespannen sfeer in die zaal bij Trump beter begrijpen. Die smalende afrekening met redelijke argumenten, de hoon voor alles wat bedachtzaam, emfatisch en weloverwogen beweerde te zijn, het groepsgevoel dat daar werd uitgeleefd – dat alles kun je zien als een radicale poging om de grens tussen individuele verlangens en een complexe buitenwereld ongedaan te maken.

„People are tired of experts”, vatte de Britse politicus Michael Gove het in de aanloop naar het Brexitreferendum samen. Die uitspraak werd als schandalig ervaren, maar letterlijk is het natuurlijk gewoon waar – mensen zijn moe van experts, moe van een wereld waarin alles zich steeds verder boven hun hoofd afspeelt, moe van kennis en feiten waar ze geen greep op kunnen krijgen, moe van de grote wereld die hun kleine wereld lijkt te willen wegvagen en hen tot nietige, onbeduidende wezens verklaart, terwijl zoveel in hun eigen omgeving hen juist wijs lijkt te willen maken dat zij het in hun eigen leven voor het zeggen hebben, dat zij klant en koning tegelijk zijn.

Dat levert een dubbel beeld op van het hedendaagse onbehagen: aan de ene kant een permanent ontevreden burger, die niet langer een algemeen belang erkent en ook geen geduld meer heeft voor wat Freud het realiteitsprincipe noemt. Het andere beeld: het individu dat weliswaar van alle kanten autonomie krijgt aangepraat, maar in zijn eigen leven juist steeds meer verlies van autonomie ervaart.

De menselijke neiging tot agressie en geweld kun je zien als een radicale poging de vervloekte begrenzingen weg te vagen. De wereld past zich niet aan je verlangens aan, dus moet die wereld (symbolisch) worden vernietigd. Het realiteitsprincipe moet ongedaan worden gemaakt – soms voorgoed, zoals bij het huidige islamitisch zelfmoordterrorisme.

De sfeer in de zaal bij Trump was niet gewelddadig, eerder jennend en baldadig, zoals op een schoolplein. Duwen en trekken, roepen en schelden, half schertsend, maar met een voortdurende onderstroom van dreigend geweld. Een milde vorm van Vladimir Poetins manier van politiek bedrijven – het onderhands aanmoedigen van agressie tegen de krachten die jou je autonomie hebben afgenomen, die jouw eigenheid willen wegvagen.

Zo kun je de dieper liggende boodschap van het huidige populisme (en van veel gevestigde politiek) samenvatten: de belofte om Freuds realiteitsprincipe ongedaan te maken. Dat kan op één A4-tje. Niet langer hoef je je te vormen naar het beeld dat de buitenwereld je oplegt, want de wereld zal zich, goedschiks of kwaad schiks, moeten voegen naar jouw beeld van de wereld. De aantrekkingskracht van die boodschap valt moeilijk te onderschatten, juist omdat die in onze cultuur in het algemeen breed wordt uitgedragen. Want het politieke populisme en extremisme is namelijk geen ontsporing van die cultuur, zoals het meestal wordt voorgesteld, ze is er het natuurlijke product van.