Hé bedrijfstoppers, discussiëren jullie mee?

Oh yes, de campagne is begonnen! Heerlijk. Vanaf nu tot aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer in maart gaan we eindeloos discussiëren. Over wereldproblemen, over oplossingen, over wie we zijn, over wat we willen, over wat ons bindt en ons scheidt, over hoe we zorgen voor een mooie toekomst. Ik verheug me.

Een deel van het debat zal (hoop ik) gaan over het sociaal-economische beleid. Hoe groot is de ongelijkheid en wat moeten we eraan doen? Heeft de mondialisering, de vrijhandel tussen landen, wel gebracht wat we ervan hoopten? Kan iedereen nog vooruit komen door hard te werken? Betalen multinationals wel genoeg belasting? Hoe zorgen we ervoor dat elk kind op school dezelfde kansen krijgt? Is de vrije markt te vrij of lang niet vrij genoeg? Worden werknemers te weinig of te veel beschermd? Wat hebben we in vredesnaam aan de Europese Unie? Waarom stijgen de lonen niet zo enthousiast als voorheen? Allemaal belangrijke en interessante vragen. Weet je wie ik graag zou willen horen in al deze discussies? De top van het bedrijfsleven.

Bedrijven spelen een grote rol in deze discussies. Minister Lodewijk Asscher kan de Wet Werk en Zekerheid bedenken, hoe die uitpakt bepalen bedrijven: krijgen meer mensen een vast contract of juist niet? Multinationals hebben de macht om het beleid van landen te beïnvloeden, omdat ze kunnen kiezen waar ze zich vestigen. Bedrijven geven de economie kortom vorm. Echt niet alleen vanuit hebberige egoïstische onredelijkheid, zoals sommigen denken. Maar bedrijven kunnen wel collectief onwenselijk gedrag vertonen.

Grote aandeelhouders klagen in de Verenigde Staten bijvoorbeeld de laatste tijd over de kortetermijnblik van het bedrijfsleven, over het gebrek aan investeringszin, over de armoedige strategie van grote bedrijven om dan maar eigen aandelen in te kopen. Als bedrijven weinig investeren, komt de economie niet op stoom.

Er wordt veel tegen bedrijfsleiders gepraat, op tv en in andere media, door politici, activisten, opiniemakers en belangengroepen. Deze week nog door minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem, die in de Volkskrant schreef dat ze hun topbeloningen moeten matigen. Maar ik hoor bedrijfsleiders zo weinig zelf meedoen aan de discussie.

Ja, af en toe eens in voorzichtige antwoorden in door de PR-afdeling zorgvuldig gekozen interviews. Soms sturen ze met zijn allen een brief de wereld in over wat een slecht idee de Brexit is. Of ze laten Hans de Boer van hun lobbyclub VNO-NCW Dijsselbloem van repliek dienen: „We zitten niet op een eiland.”

Maar ik zie de bazen van Unilever, Shell, Ahold, KPN, Philips, AkzoNobel, PostNL, ASML, DSM, Heineken en Randstad zelden vol het debat aangaan aan een talkshowtafel of bij een openbare discussie. Ik begrijp best dat een gemiddelde bedrijfsleider meer zin heeft in een driedubbele wortelkanaalbehandeling. De kans op een moeilijk en heftig gesprek is groot. Maar volgens mij hebben we wat aan hun kant van het verhaal. Wat doen ze tegen discriminatie? Kunnen ze echt niet zonder flexibele schil? Hoe belangrijk is Europa? Waarom zijn topsalarissen niet gek?

Dijsselbloem wees in zijn stuk op de onvrede over de kloof tussen ‘de elite’ en de gewone burgers. „Als we één samenleving willen blijven vormen, zullen de bestuurders en commissarissen zich rekenschap moeten geven van die onvrede.” Hij heeft gelijk. Hoe vaak horen we niet over besluiten van bedrijven om bijvoorbeeld vast personeel te vervangen door flexwerkers, over belastingconstructies of over topbeloningen zeggen: „Dit is niet uit te leggen.” Het wordt tijd dat ze daar toch eens mee beginnen.

Marike Stellinga is econoom en schrijft elke zaterdag over politiek en economie