Fuu-fuu-fuu-wíep! Dit is een oropendolaveer

Verenkunst Urenlang zaten ze als kind in vogelboeken te bladeren. Nu werken deze vogelkenners bij Naturalis en schieten ze het Museum Volkenkunde te hulp met ongeïdentificeerde veren. “Een leuk uitje!”

Guido Keijl, René Dekker, Farideh Frekrsanatie en Cees Roselaar bekijken de 18e-eeuwse hoed die een 'mysterie' is, wellicht Koreaans. Foto David van Dam

„Dit hier zou Ara macao kunnen zijn. Maar ik vind de verenstructuur zo los…”

„Denk jij dan aan de oranje rotshaan?”

„Ja, daar denk ik aan.”

„Wacht even jongens, zijn deze veren niet te groot voor de kop? Kunnen het geen schouder-veren zijn?”

„Nee, die hebben een dikkere schacht.”

Wat hier gebeurt, is bijzonder: interactie tussen twee Leidse musea. Drie vogelkenners van Naturalis zijn op bezoek in het Museum Volkenkunde, een halve kilometer verderop, om naar veren te komen kijken. De veren zijn verwerkt in etnografische objecten van over de hele wereld, van tooien tot oorbellen. Vanaf half oktober zijn ze te zien in de nieuwe tentoonstelling ‘Wereld vol veren’.

Maar van sommige veren is de herkomst onbekend. Naturalis schiet te hulp, als vriendendienst. „Een mooie uitdaging”, vinden biologen Cees Roselaar, Guido Keijl en René Dekker, tevens directeur van de Naturaliscollectie. Dekker: „Een leuk uitje!”

Foto David van Dam

Congolees verenkostuum in het Volkenkundig Museum Leiden. Bekijk de hele fotoserie hier. Foto David van Dam

In hoog tempo bekijken ze hoofdversieringen. De meeste veren zijn binnen een halve minuut op naam gebracht. Eerst een serie ara’s uit het Amazonegebied. Dan een roze lepelaar, een reiger, parkieten. Latijnse namen vliegen over de tafel. Conservator Martin Berger van Volkenkunde kijkt mee in de vogelboeken en schrijft de namen op.

Als je niet weet van welke vogels de veren afkomstig zijn, ken je niet het hele verhaal achter een hoofdtooi, legt Floor Scholte uit. Zij is tentoonstellingsmaker van ‘Wereld vol veren’. „Veren hebben vaak een symbolische betekenis. Ze staan bijvoorbeeld voor kracht, snelheid of wendbaarheid – afhankelijk van de soort.” Ze kijkt mee met de biologen, ze vertelt, ze stelt vragen. En na een uur zegt ze: „Zullen we tussendoor even wat anders doen?” Dekker: „We zijn net lekker bezig.”

Een tooi met zwarte en witte veren komt op tafel. Dekker: „De vraag is of we nu naar twee soorten kijken, of één. Ja, daar staan we dan met onze mond vol tanden.”

Roselaar: “Dat witte, dat is echt wat anders hoor.”

Dekker: „Veren zonder patroon zijn moeilijker. Muskuseend zou kunnen, dat gaan we morgen even checken in onze collectie.”

Keijl, lachend: „Het maakt een goeie indruk als je ook een keer zegt: ik weet het niet zeker.”

Er komt een hoge, kokervormige tooi tevoorschijn die rondom is bezet met kleurrijke veren. De tooi is zo’n 100 jaar oud en komt uit Suriname.

Roselaar, binnen één seconde: „Dat gele, is dat niet oropendola?” Hij fluit het deuntje van de vogel: fuu-fuu-fuu-wíep. Dekker: „Ja, precies, Cees, dat denk ik ook.”

Maar hoe zien de heren dat zo snel? „We herkennen meteen de vorm en de grootte van de veer”, zegt Dekker. „Je ziet in één oogopslag het totaalplaatje: dit kan ik plaatsen. Het is niet dat ik erover nadenk.”

Roselaar: „Nee, dit is gewoon typisch een oropendola. Dat zie ik meteen.”

Foto David van Dam

Vogelboek met ara’s uit het Amazonegebied. Foto David van Dam

Het geheim, zo leggen de biologen uit, is dat ze alle drie al van heel jongs af aan gefascineerd zijn door vogels. Urenlang zaten ze als kind in vogelboeken te bladeren. Dekker was zes jaar toen hij begon. Roselaar: „Ik ook zoiets. En dan ken je op een gegeven moment al die platen uit je hoofd.” En daar kun je dan later relatief makkelijk nieuwe kennis aan ophangen. Over het gedrag, het voedsel en het geluid van de vogels. En over hun veren. Tot op microscopisch niveau.

Keijl wijst vervolgens op de veren bovenop de tooi: „De onderstaartdekveren van een roofvogel, schat ik zo. Maar welke?” Conservator Martin Berger: „Cultureel gezien kunnen ze van een harpij zijn.” Aan de harpij-arend werden in Suriname bijzondere krachten toegedicht, vertelt hij. Met de veren van de harpij bovenin de tooi, die van zangvogels in het midden en die van kippen onderin symboliseert de tooi het ensemble van hemel, bos en aarde.

Dan bekijken ze een 18de-eeuwse hoed die mogelijk uit Korea komt. Begin 19de eeuw kwam hij naar Nederland voor het Kabinet van Zeldzaamheden, een hobby van Koning Willem I. De grijze hoed is versierd met kleurrijke bloemen en vogels, minutieus opgebouwd uit piepkleine stukjes veer.

Dekker: „Die veertjes zijn allemaal geverfd en in stukjes geknipt, daar kunnen we niks mee. Het kan allemaal kip zijn, bij wijze van spreken. Kun je hem nog even een kwartslag draaien? Dat dons is ook geverfd. Nee, het is geen blauw dons van een heel bijzonder kuiken.” Berger: „Die hoed is een beetje een mysterie. We hoopten eigenlijk dat jullie zouden zeggen: die veren komen daar en daar vandaan. Dan zouden we een aanwijzing kunnen hebben van vroege wereldhandel.”

Roselaar is optimistischer dan Dekker: „In Korea leven grotendeels dezelfde vogels als bij ons. Maar ik zie niks bekends. Dit zouden best weleens veren uit Zuid-Amerika kunnen zijn.”

Hier, zo besluiten de experts, kan DNA-onderzoek uitkomst bieden. Een paar millimeter van een veerpunt, ook al is die twee eeuwen oud, bevat genoeg DNA om de soort te kunnen bepalen. „Dat kunnen wij voor jullie doen”, zegt Dekker. En ja, dat lukt nog wel vóór de opening van de tentoonstelling.

De laatste doos gaat open. Floor Scholte krijgt er zichtbaar plezier in. „Ara en roze lepelaar!” roept ze met enige trots. Dekker: “Heel goed.”

Scholte lacht: „Ook al ben ik niet op mijn zesde begonnen.”