En meteen is er weer die diep sonore Gergiev-klank

Valery Gergiev Foto Hans van der Woerd

Ruim 300 concerten per jaar geeft hij – een record binnen de klassieke muziek. Dat indachtig leek het een luxe dat ‘flying conductor’ Valery Gergiev – tussen 1995 en 2008 chef in Rotterdam en sindsdien spil van zijn eigen, jaarlijkse festival aldaar – al woensdag arriveerde voor de 21ste editie. Die is (net als in 2003, toen het muziekfeest nog 11 dure dagen duurde) dit weekend gewijd aan de 125 jaar geleden geboren componist Sergej Prokofjev.

Steun aan Poetin

Protesten vanwege Gergievs openlijke steun aan Poetin waren er ook nu niet. De Rotterdamse Gergiev-achterban oordeelt als de Rotterdamse gemeenteraad, toen deze zomer kritische vragen werden gesteld. De raad antwoordde dat het festival subsidie ontvangt om zijn „artistieke kwaliteit”. „Met het oog op de belangen tussen Rusland en Nederland streeft het Rijk naar goede bilaterale betrekkingen met Rusland […] Het Rotterdamse gemeentebestuur neemt hierin geen eigenstandig standpunt in.” Burgemeester Aboutaleb trok zich later terug als lid van het comité van aanbeveling van het festival.

Hoe je ook oordeelt over de morele lading van muziek, het was moeilijk bij het openingsconcert niet te denken aan Gergievs eigen keuzes. Op de rol stonden twee overweldigende filmscores, Alexander Nevsky en Ivan de Verschrikkelijke – beide topzware propagandastukken uit de Stalintijd vol wapengedreun en zoete verheerlijking van Moedertje Rusland.

Het interessante is dat Gergiev acht jaar na zijn chefschap meteen een eigen geluid uit het op zijn best spelende orkest toverde. Aan zijn koers is daarbij niks duisters, integendeel. Gergiev heeft aan de Prokofjevreceptie zelf stevig bijgedragen en beheerst diens partituren in microdetail. Het alchemistische schuilt hem in de trefzekerheid waarmee hij ad hoc bijstuurt. Eist hij met wapperpink meer diepte in de bassen? Dan zwelt die lijn terstond aan, en blijkt juist dát een disproportionele meerwaarde.

Dj’ende kleinzoon

Zoals vaker bewees het Groot Omroepkoor zich in dit ronkende repertoire een ideaal, sonoor klanklichaam. Ook Yulia Tatochkina – vorig jaar winnares van het Tsjaikovki Concours in Moskou – maakte diepe indruk met haar warme, aardse en zeer Russische mezzo-geluid.

Na drie kwartier letterlijk geweldig vertolkt patriottisme („de held die sneuvelt zal ik op de dode ogen kussen!”) was er ruimte voor lyriek tijdens een Late Night Concert met stukken uit Romeo en Julia door het symfonieorkest van de conservatoria uit Den Haag en Rotterdam. Zeker in het begin lieten de jonge musici zich door Gergiev optillen tot maximaal betrokken spel. Het strijkerskorps speelde met een onderhuids vuur zoals je dat maar zelden hoort. Later waren er ook momenten dat je hoorde dat het studenten zijn: niet elke solospeler bezit al dezelfde mate van raffinement.

Maar dat waren details. Enig echt minpuntje was dat de intimiteit aan het slot werd verstoord door de in de hal al warmpompende beats van Prokofjevs dj’ende kleinzoon Gabriel. Op diens mixes werd daarna nog tot na middernacht doorgefeest.