Een handicap als verdienmodel

InterviewJetze Plat

Hij leerde lopen op zijn handen en een voet. Nu is Jetze Plat (25) wereldkampioen paratriatlon. „Ik heb gewoon pech gehad.”

Jetze Plat beseft dat hij zijn Foto Inge Hondebrink

Hij zou zomaar de koning van de Paralympische Spelen kunnen worden. Jetze Plat maakt in Rio de Janeiro serieus kans op drie gouden medailles – op de triatlon, de wegwedstrijd en de tijdrit.

Eind juli werd hij in Rotterdam wereldkampioen paratriatlon, en tot vorig jaar was hij parcoursrecordhouder van de marathon in Berlijn – net boven het uur, om een idee te geven hoe hard het gaat met slechts de inzet van armen en romp. „Als ik doe wat ik kan”, zegt Plat, lurkend aan een fruitsapje, „dan zijn er niet veel jongens die met me meekunnen.”

Jetze Plat leeft spartaans voor zijn sport. In zijn uppie reed hij naar het trainingskamp van de paralympiërs in Rio Maior, Portugal. Twintig uur in zijn gesponsorde busje, daarin drie handbikes voor hem op maat gemaakt, gereedschap voor wat kleine aanpassingen, helmen. Het busje is volgeplakt met namen van bedrijven die zich maar wat graag aan hem verbonden. Plat heeft van zijn handicap een verdienmodel gemaakt.

Hij arriveerde drie weken voor de rest van het paralympisch team in Portugal. Plat is graag op zichzelf – zo kan hij zich volledig op zijn trainingen focussen. Dat de zwem- en triatlonploeg hem onlangs is komen vergezellen vindt hij „best gezellig”, maar ze moeten niet van hem verwachten dat hij een kaartje met ze gaat leggen. „Om zeven uur moet ik gewoon mijn tentje weer in.”

Extra rode bloedlichaampjes

Dat tentje is een hoogtetent, hij ligt er zestien uur per etmaal in. Het zorgt ervoor dat zijn lichaam denkt dat het tweederde deel van de tijd op 2.800 meter hoogte bivakkeert, waar de lucht ijl is en extra rode bloedlichaampjes nodig zijn. „Het staat niet officieel vast dat het goed voor je is. Maar ik voel me er prettig bij.”

Plat werd in 1991 geboren met een afwijking die geen specifieke naam draagt. Zijn linkerbeen is veel te kort, mist bovendien kniebanden, en rechts was vergroeid, zodanig dat een groot deel ervan moest worden afgezet. Met zijn bovenlijf was niets mis. Hij leerde lopen op zijn handen en een voet. De afwijking bleek niet overerfelijk – zijn jongere zusje, oudere zus en broer hebben niet wat hij heeft. „Ik heb gewoon pech gehad, maar ik weet gelukkig niet beter. Mijn ouders zeiden altijd: aanpakken jongen, doe wat je wel kan.”

Door die opvoeding is hij als kind in het Noord-Hollandse De Kwakel nooit gepest. „Daar ben ik best trots op. Voor het dorp was ik niet anders.” Op de middelbare school behandelden ze hem met respect. „Ik ben kennelijk geen makkelijke prooi. Ik heb altijd overal gewoon aan meegedaan, tot schoolvoetbal aan toe.”

Op zijn zesde kreeg Plat van zijn ouders een handbike om naar school te gaan. Wat een gevoel van vrijheid kreeg hij daarvan, hoewel hij in het begin zijn moeder nodig had als hij de brug over de Amstel over wilde.

Zes jaar later kwam Plat in aanraking met Kees van Breukelen, een man die een belangrijke rol in zijn leven speelt. Plat zocht een nieuwe schoolfiets en kwam terecht bij de handbikezaak van Van Breukelen in Gouda. Van Breukelen zag het meteen: die jongen moet gaan racen, daar heeft hij aanleg voor. Aanvankelijk had Plat geen interesse, later ging hij het toch proberen. Zijn eerste race was in het Amsterdamse Vondelpark. Hij werd laatste. Maar zijn fanatisme was aangewakkerd.

Plat besloot zelf te gaan trainen, en Van Breukelen, handbiker zonder handicap, voorzag hem van tips. „Wat ik deed, hield ik netjes bij in boekjes. Dat ging prima. Maar Kees leerde mij verder denken dan in schema’s. Hij vertelde dat ik mensen om me heen moest zien te verzamelen als ik iets wilde. ‘Je kan het niet alleen in deze wereld’, zei hij dan.”

Na zijn mbo-studie fijnmechanica ging Plat werken bij het bedrijf van Van Breukelen. Daar schaafde en freesde hij zelf aan zijn handbike. Thuis sleutelde hij aan brommers en crossmotoren en reed hij er ook op.

Op zijn achttiende werd Plat uit het niets derde bij een wereldbekerwedstrijd voor handbikers in Sydney – het ticket betaalde hij zelf – en verdiende daarmee een A-status van sportkoepel NOC*NSF. Hij voerde de trainingen op tot twintig uur per week, eerst nog als handbiker en na de Spelen van Londen 2012, waar hij vierde werd op de wegrit, ging hij ook voor de triatlon. Dat onderdeel is in Rio voor het eerst paralympisch.

Zwemmen doet hij met alleen zijn bovenlijf – als je hem bezig ziet begrijp je waar die rugspieren vandaan komen, en als je hem in het krachthonk zich op zijn Yuri van Gelders als een plank tussen twee ringen ziet manoeuvreren, snap je hoe hij zich in het zeewater van Rio drijvende kan houden. Het fietsonderdeel gaat op een handbike, waarbij hij twee fietstrappers met zijn armen ronddraait. ‘Hardlopen’ gaat met een wheeler, die hij als in een rolstoel met zijn handen aandrijft.

Tot de tanden bewapend

Zijn programma in Rio is ronduit zwaar: op 10 september doet hij de triatlon, vier dagen later de tijdrit, weer een dag later de wegwedstrijd. Maar hij is tot de tanden bewapend. Plat beseft dat hij zijn strenge trainingsregime geen drie jaar kan volhouden. Als hij ‘ontspant’ in zijn hoogtetent kan hij het nog niet laten zich te verdiepen in allerlei bewegingsonderzoeken. Die krijgt hij doorgestuurd door zijn begeleidingsteam, door de jaren heen uitgegroeid tot zes man sterk – van iemand die zijn ultramoderne „pornobike” van 30.000 euro heeft ontwikkeld tot de sportarts van wielerteam Roompot. Hij kan het niet alleen in deze wereld. Die tip van Van Breukelen heeft hij ter harte genomen.