De barbier groeit zijn eigen scheiding in

Peggy Verzett

In de gedichtenbundel haar vliegstro communiceert Verzett niet direct, maar bezingt ze haar moeder. Deze poëzie zou heel wel een libretto kunnen zijn, of een tragedietekst. Zet de ratio op tilt, en verras uzelf.

Joachim Beuckelaer (1533-1574): De vismarkt, 1568, in het Musée des Beaux Arts, Straatsburg Foto Wikimedia Commons

In 1973 publiceerde Gerrit Komrij Een moederhart, een gouden hart. In deze bloemlezing bezingen ruim zestig Nederlandstalige dichters hun moeder. In de gebundelde verzen handelt het, aldus Komrij, bovenal over: ‘Melancholie, en Verre Kinderjaren, en Warmte, en veel, veel groen gras van dat tuintje achter je oude huis, het huis met de Rode Bakstenen, waarin een grijs goed troost-moedertje het water opgiet voor de koffie’.

Naar zulke clichés zal men in de nieuwe bundel van Peggy Verzett (1958) met een microscoop moeten zoeken Toch bezingt haar vliegstro de moeder van de dichter. Maar die dichter heet Verzett, en dus is alles anders dan bij andere verzenmakers. Verzett streeft in haar taal allerminst naar kunstmatige ordening. Integendeel, ze verkent de chaos, en presenteert die in haar poëzie zoals ze is. Chaotisch dus. Dat legt een claim op haar lezers. En dan is het per definitie raadzaam om elke verwachting buiten de deur te zetten voordat je poëzie gaat lezen – bij Verzett telt die raadgeving honderdvoudig.

Wie op zoek is naar een rechtstreekse boodschap verdwaalt in haar taal. Ilja Pfeijffer constateerde dat al toen hij Verzetts debuut Prijken die buik (2005) in deze krant besprak. Het wezen van de kunst noemde hij toen ‘te verrassen in plaats van aan verwachtingen te voldoen’. En Verzetts werk beantwoordde, vond hij, aan die eis. Wie door de poëzie in haar vliegstro verrast wil worden kan de ratio dan ook beter maar even op tilt zetten en associatief, of zelfs intuïtief aan het lezen gaan.

Distel van schizofrenie

Dan blijkt – zoals vaak ook bij moderne muziek – de chaos mee te vallen. Of zelfs herkenbaar te worden, zoals in een beschrijving van de markt van Plombières-les-Bains. Daarin is meer overdaad dan ordeloosheid. Een pagina lang tekstblok zonder regelval beschrijft de rijkdom van de schappen met groenten en vruchten. Het is een intense schildering, die het werk van de zestiende-eeuwse markt- en keukenschilder Joachim Beuckelaer lijkt op te roepen, Zo beeldend kan Verzett de poëzie bedrijven, en zo beeldend is ze op meer plaatsen in haar vliegstro.

Intussen roepen haar verzen vooral het beeld op van een kwetsbare moeder, en ook van een kwetsbare relatie tussen die moeder en de lyrische ‘ik’, haar dochter. Die moeder lijkt een psychiatrisch probleem te hebben, dat Verzett in suggestieve regels onder woorden brengt. ‘Toen de distel van de schizofrenie,’ dicht ze, ‘weer bij jouw naam / wetenschap verklaarde tot achter je wachtstand van je gevel / toen groeide de barbier zijn eigen scheiding in.’ Elders wordt de adem van de moeder voorgesteld als ‘een rolspeelster met twee richtingen’.

Verzett communiceert niet direct, maar ze zingt. Haar nieuwe bundel zou heel wel een libretto kunnen zijn, of een tragedietekst. Er is een duidelijke proloog (‘Begin is eind is begin’) en de bundel sluit af met het optreden van een koor. Van een heuse catharsis is geen sprake, al zou die schuil kunnen gaan in de slotstrofe ‘genoeg wolblond / om de schedel van haar gezicht’. Kort voor het koor het woord krijgt komt er ‘een doofstomme aria uit de schoorsteen aan de overkant’. Hoe die klinkt blijft een raadsel, maar er zijn regels die de melodie vanzelf oproepen, zoals in het volgende fragment:

ik wilde je uit een hese overeenkomst tillen

het dier in je eiermasker breken

je natuur overal bij laten, als de lichtende zoom

van een dansgewaad

aan je coiffure zonder opsmuk

tijdelijke stranden bezoeken

aan de hongerige afgronden van je gedachten beginnen en helpen

bij de zwaktehelften van je gevoelens hele gretig duinen, uit de

wansmaak een zoet

‘Kom mede duifje’; roepen, zoals in het Hooglied gelezen

kom terug in de spleten van je mineralen

kom terug, dat je heiliger dan een stijgende kathedraal in Chartres

van verre gelovigen in kan zien

Deze tekst is een helder voorbeeld van Verzetts merkwaardige idioom. Ze hanteert ook graag neologismen. Het woordje ‘vliegstro’ is daar exemplarisch voor. Wie het opzoekt zal het niet vinden, of wordt op het internet naar Vertzetts bundel verwezen. Maar de suggestie van luchtigheid in vergankelijkheid is onmiskenbaar.

haar vliegstro is een speelse bundel, hoe ernstig het onderwerp ook is. Paradoxaal ook is het feit dat dit werk zich laat lezen als een elegie, terwijl de bezongene nog niet gestorven is. De tekst zelf geeft daarvoor alle aanwijzingen. Ook voor de gedachte dat de dood geen angst oproept. ‘Warme dood laat pennen ruisen’ schrijft Verzett, en dat is niet de enige regel waarin naast berusting ook ontroering sluimert.