Foto: Annabel Oosteweeghel

Cynan Jones via Joyce Siahaya-Annabel Oosteweeghel 2018

‘Schrijven is lopen met een vol glas. Heel voorzichtig’

Cynan Jones Het landschap in zijn romans is zijn thuis. Een tweegesprek over het platteland, dikke boeken, muzikale zinnen en witregels. ‘In Wales ken je een cirkel om je heen, een leefgebied. Daarin ken je alles, ieder plantje en iedere steen.’

Het gesprek tussen de Britse schrijver Cynan Jones (1975), de meester van de witregel, en Jan van Mersbergen (1971), schrijver die erg gevoelig is voor bladspiegel en vertelvorm, begint met een pleister om een pink.

J: Dit is geen opzet.

C: Wat is er gebeurd?

J: Vanochtend sneed ik me in mijn pink en dacht: ik ben een Cynan Jones-personage.

C: Zoals Gareth met zijn stompje.

J: Echt toeval, maar ik vond dat stompje wel erg goed in De lange droogte. ‘Hij wreef over het stompje van zijn ontbrekende vinger’, staat er in het begin. Dat is een prachtig zinnetje want verder wordt er niks geduid.

C: Het zijn fysieke dingen. Het verlies van een vinger. Het verlies van grip.

J: Is dat moeilijk, duiding weglaten?

C: Het laat de lezer zijn eigen verhaal maken. Ik laat de lezer meekijken naar een personage dat hij amper kent, zoals mensen in de trein zitten en naar elkaar kijken. Dan zie je iemand over een stompje van een vinger wrijven. Je weet er niks van maar hebt wel een compleet verhaal.

J: Zonder dat grotere verhaal te vertellen.

C: Het is kijken. Dit is mijn eerste boek, raar om daar nu over te praten, na die andere boeken. Ik schreef het in tien dagen.

J: Dat is snel, maar het kan.

C: Ik werkte eerst aan grote boeken, die in steden speelden, ingewikkelde liefdesverhalen. Dit is klein. Dit speelt in mijn woonplaats, waar ik ook opgegroeid ben.

J: Was het moeilijk vertrouwen te hebben in een boek dat daar speelt?

C: Zeker. Ik woon daar, ik leef daar, en ik schrijf over wat daar te zien is. Dat is heel veel en heel specifiek. In Wales ken je een cirkel om je heen, een leefgebied. Daarbinnen ken je alles, ieder plantje en iedere steen. Daarbuiten groeien plantjes waarvan je bij God niet weet hoe ze heten.

J: En de dieren?

Lees ook de recensie van Cynan Jones’ roman Inham (●●●●●): In een zee van wit

C: Daarvoor geldt hetzelfde.

J: Tijdens het lezen van jouw boek kwam ik het Twitteraccount SayNo2Ducks tegen. Fel tegen eenden, maar ook met veel woorden. In jouw boek is er een eendenplaag en volgt het zinnetje: ‘Er werd een comité opgericht.’

C: Dat is het ja.

J: Je weet: ze gaan al die eenden afschieten, maar het klinkt heel democratisch en verantwoord.

C: Je leeft daar met de dieren, beter gezegd, de dieren zijn de inwoners van mijn leefgebied. Je moet met ze samenleven.

J: Dat wordt nergens romantisch of sentimenteel.

C: Het leven op het land lijkt voor veel mensen mooi. Buiten, in de zon, een tuintje verzorgen, ruimte in je hoofd. Maar leven op het land is erg zwaar. Probeer daar maar eens te leven.

J: Ian McEwan schrijft over landleven met een kasteel, een fontein, een tuin, en meestal loopt er ook nog een dichter rond.

C: Dat is een gecontroleerd platteland. Als een park.

J: In De lange droogte staat: ‘Toeristen begrijpen het platteland niet.’

C: Ze hebben geen werkelijke affiniteit met het land. Daar laat ik de lezer naar kijken. Het visueel maken van het landschap. Geen geklets. Don’t fuck around, laat gewoon zien wat er leeft en wat er gebeurt.

J: Een man die een koe gaat zoeken.

C: Dat gebeurt ja.

J: Voor mij was die koe zoals Godot in Wachten op Godot. Gareth begint hem op de eerste pagina te zoeken, en je weet: die gaat hij voorlopig niet vinden. Misschien komt hij wel nooit bij die koe, zoals Godot ook nooit komt.

C: Ze was er opeens, die koe. Ik schreef dit boek in tien dagen, een ideaal proces, maar alles was er al, in mijn hoofd. In mijn hoofd bestond het al dertig jaar, dat boek. Het was kijken in mijn hoofd.

J: Toch voeg je ook informatie toe, zoals het ijzer in de hersenen van duiven, de radar waarmee ze vliegen. Dat is erg moeilijk te zien.

C: Dat is een fascinatie die ik al heel lang heb, dat soort processen in de natuur die dieren en planten sturen. Dus ook dat zit in mijn hoofd.

J: En die paddenstoel?

C: Ook zoiets. Een erg giftige paddenstoel. Als jonge lezers daarover lezen, en vooral over de hoop die Gareth heeft dat die paddenstoel gegeten wordt en dat er iets vreselijks gebeurt, dan worden ze erg boos.

J: Het is ook cru.

C: Ook dat gebeurt. Dat hoort bij het landschap. Ook die hoop op iets vreselijks.

J: Ik schreef mijn eerste boek toen ik een zomer op een boerderij paste. Alles van mijn jeugd was er: de sloten, schapen, weilanden. Mijn omgeving – toen kon ik schrijven.

C: Herkenbaar. Ik schreef over allerlei wereldse zaken en het was helemaal niks, tot ik dit debuut kon schrijven over de plek waar ik woon. In The Dig (vertaald als De burcht) was er ook dat landschap en vooral een erg hard personage.

J: Is het een afzetten tegen juist die literatuur uit de stad?

C: Misschien. Het is vertrouwen hebben in wat je kent en waar je woont. Niet om jezelf te beperken, maar omdat ook jouw eigen leven universeel is. Mijn boeken zijn vertaald in Albanië, Duitsland, Nederland. Overal herkennen mensen zich in dit landschap, en toch is het alleen mijn landschap. Maar het is dus van iedereen.

J: Er zijn veel schrijvers die zichzelf dat landschap toe-eigenen.

C: Die willen zeggen: ‘Wij begrijpen heel veel van de wereld.’

J: De bekende show-off. Laten zien hoe goed je bent, in tekst.

De uitgever had al gezegd dat ik nu toch echt een dikker boek moest maken

C: Ja, en ik doe show-off. Ik laat je voelen, zoals John Steinbeck. Die beschrijft zijn land. Die laat je alles perfect voelen.

J: Dat is ook een valkuil.

C: Zeker. Ik heb nu een dochter van een paar maanden. Alles zie je anders. Maar als dat allemaal in een boek komt, wat voor boek wordt dat dan?

J: Ik denk dat als ik over mijn zoontje van twintig maanden een boek zou schrijven het erg vlak en eendimensionaal en sentimenteel wordt.

C: Gevaar.

J: Dus wat doe je dan?

C: Ik breng het terug. Altijd maar weer terugbrengen naar de kern. Inham was eerst over de dertigduizend woorden, en het werd na veel hakken elfduizend.

J: En wat zei de uitgever?

C: De uitgever had al gezegd dat ik nu toch echt een dikker boek moest maken, want lezers willen geen boeken die onder de vijfendertig duizend woorden zijn. Toen ik aan De burcht werkte had ik negentigduizend woorden, het werden er uiteindelijk achtentwintigduizend. Ik printte alles uit, leverde het in bij de uitgever en zei: ‘Hier is mijn boek, het zijn achtendertigduizend woorden.’

J: Maar ze lazen er veel meer dan die achtendertigduizend?

C: Ik denk het.

J: Is je schrijven op die manier ontwikkeld? Is jouw vertrouwen zo opgebouwd?

C: Ik was heel naïef toen ik De lange droogte schreef. Ik kan nu zien wat ik toen deed. Ik kan dat nu begrijpen.

J: Soms moet je iets maken. Niet nadenken.

C: Juist. Later ben ik gaan nadenken.

J: Over Inham is veel nagedacht.

C: Tweeëneenhalf jaar lang. Schrijven is met een glas dat tot de rand gevuld is door een kamer lopen. Heel voorzichtig.

J: Mooi. Behoedzaam zijn en tegelijk niet nadenken, want als je gaat nadenken dan gaat het mis. En iets maken, en ritme in een tekst brengen…

C: Dat ritme moet vloeiend zijn.

Ik schrijf zoals de mensen praten in de omgeving waar ik opgegroeid ben. Die stemmen, dat is mijn stem.

J: Onderaan bladzijde 82 van De lange droogte, van de vertaling, staat een zin waarin zes keer het woordje ‘en’ staat. Dat ritme, komt dat zo maar?

C: Ik herken zelfs nu die regel, in het Nederlands.

J: Geen komma’s.

C: Dat komt omdat het geschreven is zoals muziek. Als je gitaar speelt, dan denk je niet aan de akkoorden, maar je pakt ze wel. Zo is die zin geschreven.

J: Als muziek?

C: Het ritme is als muziek.

J: Maar niet zoals mensen praten? Mensen in jouw omgeving?

C: Niet helemaal. Dat is soms heel vol en veel. Muziek is eenvoudiger. Ritme, toon.

J: Ik schrijf zoals de mensen praten in de omgeving waar ik opgegroeid ben. Die stemmen, dat is mijn stem.

C: Dan kun je voorlezen. Als ik moet voorlezen, dan…

Cynan Jones haalt zijn boek uit zijn tas, slaat het op een willekeurige bladzijde open. De bladzijde staat helemaal vol streepjes en tekens.

C: Dan kras ik nog meer weg. Dan lees ik echt flarden.

J: Uit Inham voorlezen, dat lijkt me heel moeilijk.

C: Inderdaad. Die witregels zijn geen lucht. Het is geen vol boek met een verteller die even lekker praat en praat en praat. Het is kijken, details zien, die rustig benoemen, daarbij stilstaan in een witregel.

J: Ben je in Duitsland geweest met je boeken?

C: Ja, daar hadden ze een acteur ingehuurd om voor te lezen.

J: Dat willen ze: drie kwartier vorlesen.

C: Mijn proza zit van binnen. Het is geen show. Ook geen show-off. De kern zit erin verstopt en de lezer moet die eruit opgraven. Dat is een soort magie. Een vloek ook soms. Dat een tekst dat kan: die emoties overbrengen.

J: Voelen dus.

C: Dat wil ik als ik lees. Een boek dichtslaan en denken: hoe kon dit allemaal met mij gebeuren de afgelopen uren? Ik voel van alles en dat heeft dit boek gedaan.

    • Jan van Mersbergen