Wanneer een liedje gaat blozen

Muziektips

Hoe te luisteren naar muziek in tijden van overvloed? Door te speuren naar verbanden tussen James Brown en John Cage, of door als een archeoloog op zoek te gaan in een studio van de Stones.

Wie nu nog muziek wil verzamelen op lp of cd, moet een goed excuus hebben. Waarom zou je? Alles is permanent te vinden via Spotify en zo niet, dan wel op YouTube of Soundcloud. De verzamelaar sputtert dan graag wat tegen over de individuele keuze, de ervaring van het luisteren en de fysieke daad van het omdraaien van een lp, maar tandenknarsend moet hij toegeven: eigenlijk is elk liedje wel online te vinden. Every Song Ever dus, en dat werd de titel van een verzameling essays van Ben Ratliff (1968) over het luisteren naar muziek in tijden van overvloed.

Hoe ga je om met die overvloed? De gehele muziekgeschiedenis is onder handbereik maar je moet wel je weg kunnen vinden in het oerwoud aan impulsen, tips of speellijsten. In plaats van te luisteren naar oeuvres of vertrouwde genres, kun je andere dwarsverbanden leggen. Spotify suggereert speellijsten voor de gebruiker: je kunt muziek luisteren die past bij thema’s als nachtrust, kalmte, vakantie.

Eigenlijk doet Ben Ratliff hetzelfde. Hij kiest begrippen als snelheid, stilte, intimiteit, ruimte, dichtheid, improvisatie, afwezigheid, geschiedenis, hij gaat op zoek naar sporen van gemeenschapszin, of naar onbedoeld onvolmaakte momenten: ‘wanneer een liedje bloost’. Maar zijn ambities gaan wel iets verder, zoals blijkt uit de ondertitel: Twintig manieren om nu naar muziek te luisteren’.

Volume

Ratliff, die voor The New York Times over muziek schrijft, heeft een groot en rijk associatievermogen en is op zijn best wanneer het gaat om beschrijvingen van muziek. Soms heel beknopt, zoals bij het openingsakkoord van James Browns Papa’s Got A Brand New Bag, dat hij omschrijft als ‘a room clearing explosion’. Soms wat uitgebreider, zoals bij Dopesmoker van de band Sleep, een plaat die bestaat uit een track van ruim een uur, grotendeels in één akkoord: ‘Hoe luister je naar zoiets, wanneer de veranderingen op het microniveau zo klein zijn maar de implicaties zo groot? Je doet je best. Je haalt het geluid in jezelf: een grote swingende, organische, verwrongen lichaamsfunctie die zich niet laat structureren. Je kan de muziek belichamen, maar niet bevatten.’

En van Gabriel Fauré’s pianokwintet opus 115, derde deel, wordt een passage van twee minuten beschreven die zich ‘niet laat reduceren tot woord of idee, maar het gecompliceerde gevoel beschrijft dat je onderweg bent naar een nieuw stadium van je leven in het besef dat je geen keuze hebt, en wetend dat er nare dingen staan te gebeuren, maar dat ook die zich weer zullen laten relativeren.’ Niet alleen maakt zo’n beschrijving nieuwsgierig, ook ga je op die manier met verse oren naar vertrouwde muziek luisteren.

Every Song Ever gaat dus over soul, stonerrock, laat-romantische kamermuziek, maar evengoed over jazz, pop en blues. De ambitie dat dit boek nieuwe manieren aanreikt om te luisteren, wordt niet helemaal waargemaakt, maar de twintig sporen die Ratliff aanbrengt door het web van de muziek zijn interessant om te volgen. Bijvoorbeeld wanneer het gaat over de manieren waarop volume wordt ingezet als middel om indruk te maken. ‘Dichtheid’ is zo’n manier: dat kan door de muziek vol te gieten met instrumenten en effecten, zodat er nauwelijks nog een plek te vinden is om adem te halen. Het geldt voor Outkasts Rosa Parks, en ook voor Beethovens Grosse Fuge dat met vier strijkinstrumenten net zo overvol klinkt: de muziek wordt ondoordringbaar.

Een andere manier is volume. In sommige gevallen heeft de wens om hard te zijn een muzikale grond, zoals de band Swans, die van zijn concerten doelbewust een fysiek slopende ervaring wil maken. Soms zijn de overwegingen commercieel, zoals bij Black Eyed Peas, wier Let’s Get it Started zo gelijkmatig gemixed is, dat elk geluidje op volle kracht overkomt. De nuance is weg, en vluchten kan niet wanneer het liedje langs komt op de radio of op de dansvloer.

Van Beethoven tot Black Eyed Peas in een volkomen vanzelfsprekend verband: hier is Ratliff op zijn best. Ook het hoofdstuk over solo’s die bestaan uit één noot, is geweldig goed. Want die ene, herhaalde noot, brengt vaak een onverwacht gewicht met zich mee. Het wordt een statement wanneer de solist de hem of haar (maar in zijn voorbeelden meestal hem) toebedeelde ruimte vult met één noot. Soms bot en harkerig (Neil Young), soms gek genoeg toch virtuoos (Roddy Frame van Aztec Camera in Oblivious) soms pesterig (rapper Drake in Furthest Things).

Het zijn ‘waarschuwingen, uitdagingen, alarmsignalen’, althans, zo ervaart Ratliff ze. Hij laat zich intimideren door de muziek, vrijblijvend luisteren is er niet bij.

Wanneer hij naar The Rolling Stones luistert – in een hoofdstuk over ‘discrepantie’ – beschrijft hij heel nauwkeurig de manieren waarop drums, piano en gitaren op heel andere manieren deel uitmaken van hetzelfde geheel, en ook hoe groot het talent is van Keith Richards om die losse elementen met zijn gitaar bij elkaar te harken.

Alleen maar door te luisteren naar een outtake van Loving Cup, beschrijft Ratliff overtuigend hoe het er bij de Stones in de studio aan toe gegaan moet zijn. En dat lukt hem vaker, in lange beschrijvingen van wat er te horen valt: als een muzikale archeoloog reconstrueert hij het ontstaansproces van een opname aan de hand van het eindresultaat.

Verspillende autoriteit

Niet in elk hoofdstuk werken de gekozen thema’s even goed. De eerste keer dat de verstilde jazz van ECM vergeleken wordt met de producties van Dr. Luke kijk je nog verrast op, maar wanneer hij via de notie ‘Verspillende autoriteit’ van Bob Wills and His Texas Playboys via Frank Sinatra en Jimi Hendrix uitkomt bij Lil Wayne en Nina Simone, krijg ik de indruk dat sommige vondsten wel erg onnavolgbaar zijn. Als dit een handreiking is om op een nieuwe manier naar muziek te luisteren, dan valt het niet mee. Een beetje alsof Messi probeert uit te leggen hoe je vier verdedigers passeert door het uiteindelijk maar gewoon zelf te doen.

In zijn zoektocht naar zijn thema’s, mist Ratliff soms ook de meest voor de hand liggende. Wanneer hij over James Brown en Rihanna schrijft dat herhaling in muziek het best werkt als die doet denken aan het ritme van lopen of ademen, vraag je je meteen af: en seks dan? Maar hij noemt ook Steve Reich – en de manier waarop hij diens minimalistische Four Organs naast James Brown plaatst is enorm leuk, en bewijst weer wél de kracht van de methode. En bevestigt vooral de kracht van muziek. Want als Ratliff iets laat zien, en horen, dan is het wel dat goed luisteren naar muziek ook in tijden van overvloed het beste is wat je kan doen.