Meer dan tien jaar na zijn succesvolle roman Extreem luid & ongelooflijk dichtbij verschijnt op 8 september de nieuwste roman van Jonathan Safran Foer. Tegen The New Yorker zei hij: „Dit boek is politieker, minder flamboyant en meer gedreven door dialogen.”

Leesfragment

We zijn hier

Jonathan Safran Foer

Nieuwe roman: Meer dan tien jaar na zijn succesvolle roman Extreem luid & ongelooflijk dichtbij verschijnt op 8 september de nieuwste roman van Jonathan Safran Foer. Dit leesfragment verscheen op zaterdag 3 september in NRC.

Een groepje jongens hing rond in de gang van Adas Israel, lachend, stoeiend; het bloed stroomde uit hun nog niet volledig ontwikkelde hersenen naar hun nog niet volledig ontwikkelde geslachtsdelen en weer terug in het nulsomspel van de puberteit.

‘Maar serieus,’ zei er een; de tweede s bleef in zijn beugel hangen. ‘Het enige voordeel van pijpen is dat hij dan lekker nat is voor het handwerk.’

‘Dat kun je wel zeggen.’

‘Verder kun je net zo goed een glas water met tanden neuken.’

‘Wat weinig zin heeft,’ zei een roodharige jongen die nog steeds koude rillingen kreeg als hij alleen al aan de epiloog van Harry Potter en de relieken van de dood dácht.

‘Nihilistisch.’

Als God bestond en oordeelde, dan zou Hij die jongens alles vergeven omdat Hij wist dat ze vanbinnen ten prooi waren gevallen aan krachten van buitenaf en dat ook zij naar Zijn beeld geschapen waren.

Stilte toen ze de pas inhielden om naar Margot Wasserman te kijken, die water stond te drinken. Men beweerde dat er bij haar thuis twee auto’s voor de garage voor drie auto’s stonden omdat ze vijf auto’s hadden. Men beweerde ook dat haar dwergkeeshond zijn ballen nog had en dat die zo groot als uien waren.

‘Godsámme, ik wil dat fonteintje zijn,’ zei een jongen met de Hebreeuwse naam Peretz-Yizchak.

‘En ik het kruis van dat kruisloze slipje.’

‘En ik wil kwik in mijn pik.’

Stilte.

‘Wat bedoel je daar nou weer mee?’

‘Nou, gewoon,’ zei Marty Cohen-Rosenbaum, Hebreeuwse naam Chaim ben Kalman. ‘Dat het dan een koortsthermometer is.’

‘Door ’m sushi te laten eten?’

‘Of inspuiten. Weet ik veel. Je snapt toch wel wat ik bedoel.’

Vier hoofden werden geschud, onbedoeld synchroon, alsof ze naar een tafeltenniswedstrijd keken.

Fluisterend: ‘Om ’m in haar reet te steken.’

De anderen hadden het geluk dat ze eenentwintigste-eeuwse moeders hadden die wisten dat je iemands temperatuur ook digitaal via het oor kon opnemen. En Chaim had het geluk dat ze Sam zagen voordat de anderen de tijd kregen om hem een bijnaam op te plakken waar hij nooit meer van af zou komen.

Toen liepen ze op Sam af. Hij zat op het bankje bij de deur van de kamer van rabbijn Singer, met gebogen hoofd en zijn blik op de geopende handen in zijn schoot gericht als een monnik die op de brandstapel zit te wachten. De jongens bleven staan en richtten hun zelfhaat op hem.

‘We hebben gehoord wat jij hebt geschreven,’ zei er een en hij priemde een vinger in Sams borst. ‘Dat ging echt te ver.’

‘Dat was ziek, bro.’

Vreemd, Sams overvloedige zweetproductie kwam doorgaans pas op gang als de dreiging voorbij was.

‘Dat heb ik niet geschreven, en ik ben je’ – aanhalingstekens in de lucht – ‘bro niet.’

Dat had hij kunnen zeggen, maar hij zei het niet. Hij had ook kunnen uitleggen waarom niets was wat het leek. Maar dat deed hij niet. Hij incasseerde gewoon, zoals altijd als hij in de hoek zat waar de klappen vielen.

Aan de andere kant van de deur van de kamer van de rabbijn, aan het bureau tegenover de rabbijn, zaten Sams ouders, Jacob en Julia. Ze wilden daar helemaal niet zijn. Niemand wilde daar zijn. De rabbijn moest nog een paar bedachtzaam klinkende woorden over een zekere Ralph Kremberg aan elkaar breien voordat die straks om twee uur de grond in ging. Jacob had liever aan zijn bijbel voor De immer stervenden gewerkt, het huis overhoopgehaald op zoek naar zijn telefoon of op zijn minst op internet naar dopaminetriggers gezocht. En het was Julia’s vrije dag – dit was wel het tegenovergestelde van vrij.

‘Hoort Sam hier zelf eigenlijk niet bij te zijn?’ vroeg Jacob.

‘Het lijkt mij het beste om een volwassen gesprek te voeren,’ antwoordde rabbijn Singer.

‘Sam is volwassen.’

‘Sam is níét volwassen,’ zei Julia.

‘Omdat hij de laatste drie verzen van de zegeningen na de zegening na zijn haftara nog niet kent?’

Julia negeerde Jacob, legde een hand op het bureau van de rabbijn en zei: ‘Een leraar een grote mond geven is duidelijk niet acceptabel en we willen dit graag op een goede manier oplossen.’

‘Maar toch,’ zei Jacob, ‘is schorsing niet een beetje draconisch voor iets wat in het grote geheel gezien toch niet zo heel erg is?’

‘Jacob…’

‘Wat?’

Julia wilde met haar man communiceren zonder dat de rabbijn het zag; ze drukte twee vingers tegen haar voorhoofd en schudde met opengesperde neusgaten heel even haar hoofd. Zo leek ze eerder een honkbalcoach dan een echtgenote, moeder en lid van de gemeenschap die de zee bij het zandkasteel van haar zoon weg probeerde te houden.

‘Adas Israel is een progressieve sjoel,’ zei de rabbijn, wat Jacob een rollende oogbeweging ontlokte, een reflex, zoiets als kokhalzen. ‘We gaan prat op een lange traditie van verder kijken dan de culturele normen van het moment en zoeken naar het goddelijk licht, het Ohr Ein Sof, in ieder mens. Het gebruik van racistische taal is hier wel degelijk heel erg.’

‘Wát?’ vroeg Julia, die haar houding had gevonden.

‘Onmogelijk,’ zei Jacob.

De rabbijn slaakte een rabbinale zucht en schoof Julia over het bureau een papiertje toe.

‘Heeft hij dat echt gezegd?’ vroeg Julia.

‘Hij heeft het opgeschreven.’

‘Wát heeft hij opgeschreven?’ vroeg Jacob.

De rabbijn schudde zijn hoofd. ‘Alles zat er zo’n beetje bij. Zelfs het allerergste.’

Ongelovig hoofdschuddend las Julia zacht het lijstje voor. ‘Vuile Arabier, spleetoog, kut, jap, flikker, zwartjoekel, smous, het n-woord…’

‘Staat er “het n-woord”?’ vroeg Jacob. ‘Of het echte n-woord?’

‘Het woord zelf,’ zei de rabbijn.

Hoewel zijn aandacht vooral had moeten uitgaan naar het probleem van zijn zoon, liet Jacob zich afleiden door de gedachte dat dat het enige woord was dat blijkbaar niet voluit kon worden uitgesproken.

‘Dit moet een misverstand zijn,’ zei Julia. Ze gaf het papiertje eindelijk aan Jacob. ‘Sam zorgt voor zieke dieren…’

Cincinnati Bow Tie? Dat is niet racistisch. Dat is een standje. Geloof ik. Misschien.’

‘Het is niet allemaal racistische taal,’ zei de rabbijn.

‘Ik weet trouwens vrij zeker dat “Vuile Arabier” ook met seks te maken heeft.’

‘Ik geloof het graag.’

‘Ik bedoel dus dat we dat lijstje misschien helemaal verkeerd interpreteren.’

Julia negeerde haar man opnieuw en vroeg: ‘Wat zegt Sam er zelf over?’

De rabbijn plukte aan zijn baard op zoek naar woorden, als een makaak die luizen zoekt.

‘Hij ontkent het. In alle toonaarden. Maar voordat de les begon stonden die woorden daar nog niet en hij is de enige aan dat tafeltje.’

‘Hij heeft het niet gedaan,’ zei Jacob.

‘Het is wel zijn handschrift,’ zei Julia.

‘Alle jongens van dertien schrijven zo.’

‘Hij kon niet verklaren hoe die tekst daar anders gekomen kon zijn,’ zei de rabbijn.

‘Dat is zijn taak ook niet,’ zei Jacob. ‘Bovendien, áls Sam die woorden zou hebben geschreven, waarom zou hij ze dan in vredesnaam op dat tafeltje hebben laten liggen? Dat zou zo brutaal zijn dat het zijn onschuld juist bewijst. Net als in Basic Instinct.’

‘Maar in Basic Instinct had zij het wel gedaan,’ zei Julia.

‘O ja?’

‘Met die ijspriem.’

‘Je hebt gelijk. Maar dat was een film. Dat papiertje moet daar zijn neergelegd door een echt racistische jongen die iets tegen Sam heeft.’
Julia richtte het woord tot de rabbijn. ‘We zullen ervoor zorgen dat Sam begrijpt waarom het zo kwetsend is wat hij heeft geschreven.’

‘Julia,’ zei Jacob.

‘Zouden excuses aan de docent genoeg zijn om het bar-mitswatraject weer op de rit te krijgen?’

‘Dat wilde ik ook voorstellen. Maar ik vrees dat het verhaal al de ronde doet binnen onze gemeenschap. Dus…’

Jacob blies van frustratie – een gewoonte die hij Sam had aangeleerd of die hij van Sam had overgenomen. ‘Kwetsend voor wíé, trouwens? Er is een wereld van verschil tussen schaduwboksen en iemand een gebroken neus slaan.’

De rabbijn keek Jacob vorsend aan. ‘Heeft Sam problemen thuis?’ vroeg hij.