Van tante en de baby rest alleen maar ruis

Marcel Cohen

Als vijfjarige, spelend aan de overkant, zag Marcel Cohen (1937) hoe zijn familie werd weggevoerd. Nu probeert hij ze terug te halen in zijn herinnering. Zijn originele egodocument is grote literatuur.

Het leren speelgoedbeestje, een van de weinige overgebleven bezittingen van Marcel Cohens familie

Een leren speelgoedbeestje, een haarnetje, een kapotte viool, een sigarettenetui, een asbakje in de vorm van een beertje, een tas met kwastjes, een houten eierdopje, een zilveren babyarmbandje. Het is alles wat de Franse schrijver Marcel Cohen (1937) restte van zijn naaste familie, die in 1943 en 1944 door de nazi’s in Auschwitz werd vermoord. Zelf was hij toen vijfeneenhalf jaar oud, een leeftijd waarvan je je vaak weinig herinnert.

Toen zijn ouders thuis in Parijs door de Franse politie werden gearresteerd, was hij buiten aan het spelen. Vanaf de overkant van de straat zag hij nog net hoe ze werden afgevoerd. Hun dienstmeisje redde zijn leven en bracht hem onder bij een onderduikgezin.

In zijn boek Het innerlijke toneel [Feiten] probeert Cohen zeventig jaar later aan de hand van die schaarse materiële overblijfsels zijn verdwenen vader, moeder, zusje, grootouders van vaderszijde, twee ooms en een oudtante tot leven te wekken. Hij doet dat aan de hand van acht ingetogen, korte portretten van die vermoorde familieleden, die zo bijzonder zijn dat je na afloop van dit iets meer dan honderdtwintig bladzijden lange boek verbijsterd achterblijft.

Dat laatste komt niet door het onderdrukte verdriet waar Cohen tijdens zijn zoektocht mee geconfronteerd wordt, maar eerder door het besef dat hij zijn familie nooit echt zal leren kennen. In zijn voorwoord schrijft hij dan ook: ‘Dit boek bestaat dus uit herinneringen en, in nog veel grotere mate, uit stilte, lacunes en vergetelheid.’

Een belangrijke informatiebron van Cohen was een oom van vaderszijde, die de oorlog had overleefd, maar pas zestig jaar later over zijn vermoorde familie kon vertellen. Al die tijd was het hem gelukt zijn herinneringen te verdringen, alsof hij alleen op die manier de pijn over hun gruwelijke lot kon omzeilen. Pas tegen het einde van zijn leven deed de oom zijn mond open, althans, hij beantwoordde schriftelijke vragen van zijn dochters.

Eierdopje

Het eerste portret is dat van Marie, Marcel Cohens moeder (1915-1943), een mooie, vrolijke vrouw uit een orthodox joods gezin uit Istanboel. In 1936 is ze per pakketboot naar Frankrijk verhuisd om er te trouwen. Kort voor het uitbreken van de oorlog deed ze een vriendin een beschilderd eierdopje cadeau, die het op haar beurt in 2009 aan Cohen teruggaf. Dat eierdopje is het begin van een eigentijdse À la recherche du temps perdu, waarin de schrijver het leven van zijn moeder in kaart brengt, vanaf haar exotische jeugd in Turkije tot aan haar deportatie uit het door de nazi’s bezette Parijs.

Cohen gaat in de tijd heen en weer en koppelt zijn schaarse persoonlijke herinneringen, zoals aan een kraagje dat in zijn hals sneed of de geur van zijn moeders parfum, aan de geschiedenissen die hij heeft achterhaald.

Versterkt door zijn droge beschrijvingen van foto’s waarop Marie staat afgebeeld, laat hij haar uit de mist van het verleden stappen. Bovendien voert hij je aan haar hand door het sefardische milieu in het Istanboel van haar jeugd en het Parijs van de jaren dertig en veertig, en leidt hij je rond door het appartement waar hij zijn eerste levensjaren met zijn vader en moeder woonde.

Ook over zijn vader, Jacques (1902-1943), die in Parijs een kousen- en sokkenwinkeltje dreef, ontdekt hij van alles, onder meer dat hij als Turkse jood dweepte met Frankrijk, dat hij, ondanks de Dreyfuss-affaire, als het land van de grote belofte zag. Maar ook blijkt Jacques dat bewaard gebleven haarnetje te hebben gedragen om een lastige krul op zijn voorhoofd te bedwingen en speelde hij niet onverdienstelijk viool. Juist zulke kleine details maken van Jacques een mens.

Het meest bijzondere portret is dat van zijn zusje Monique, aan wie hij in het geheel geen herinneringen heeft. Hij eert haar door haar bestaan te reconstrueren aan de hand van twee getuigenissen. Het lukt met moeite, want er bestaat geen overlijdensakte, haar naam komt alleen voor op een armbandje en een deportatielijst. Mogelijk is ze dus nog in leven. Het wringt dan ook als hij haar naam wil laten bijschrijven op het graf van zijn grootouders van moederskant.

Franse gendarmes

Monique is drie maanden oud als ze met haar ouders wordt opgepakt. Maar omdat ze nog zo jong is, wordt ze – cynisch genoeg – samen met haar moeder eerst in het Rothschild-ziekenhuis geïnterneerd, dat bewaakt wordt door Franse gendarmes, de trouwste bondgenoten van de Gestapo. Er heerst de sfeer van een concentratiekamp. Het voedsel is schaars, er zijn luizen, de antisemitische nonnen gedragen zich als Kapo’s. Door de stress en het verdriet verzwakt Marie steeds verder, haar haar valt uit. Jacques is al naar Auschwitz gedeporteerd, wanneer zijn broers, die nog niet zijn opgepakt, Marie met de kleine Marcel komen bezoeken. Het jongetje vindt zijn moeder lelijk en begrijpt niet waarom ze verdrietig is. Als het gevaar om haar te bezoeken te groot wordt, staat Marcel op de stoep buiten het ziekenhuis om naar zijn moeder te zwaaien. Het is die herinnering waarvoor hij naar woorden zoekt en die in 1996 een herdenkingsbijeenkomst in dat ziekenhuis, waar veel tranen worden vergoten, tot iets ronduit banaals maakt, omdat die tranen voor hemzelf weinig betekenen.

En dan is er nog een oudtante, waarvan niets dan ruis rest. De foto die Cohen van haar heeft, zou net zo goed van een ander familielid kunnen zijn.

In het zoeken naar die sporen van het verleden en het beschrijven van de eventuele emoties van zijn familieleden, zoals het schrikken bij het zien van een paar laarzen in de metro, doet Cohens boek soms sterk denken aan W.G. Sebalds Austerlitz en aan het werk van Georges Perec. Die overeenkomsten geven zijn originele egodocument daarom een grote literaire kracht, waarmee deze vrij onbekende schrijver ineens de wereld van de grote literatuur binnenstapt.