Stilte!

Op zoek naar een zitplaats in de trein kwam ik toevallig in de stiltecoupé terecht. Gemakshalve verdrong ik de aldaar eerder opgedane teleurstellingen en nam zo onbevangen mogelijk plaats. Het hoeft in het leven niet altijd tegen te zitten.

Er zaten hoofdzakelijk oudere mensen in de coupé. Dat lijkt een neutrale constatering, maar is het niet helemaal. Oud = rust = stilte, nietwaar? Vervolgens deed ik iets wat bij oudere mensen past: ik pakte een boek (van papier) en begon te lezen.

De trein zette zich daarop in beweging, terwijl de jongen van de catering – ook een onverbeterlijke optimist – via de intercom zijn koffie, gevulde koeken en andere versnaperingen aangekondigde die straks vrijwel iedereen met afgewend hoofd zou weigeren.

We hadden Amsterdam nog niet verlaten toen aan de andere kant van het gangpad een man met dik grijs haar een uitstekend verstaanbaar telefoongesprek begon te voeren. Hij had een bedrijf, begreep ik, en deed nu zijn uiterste best om dat op te stoten in de vaart der bedrijven. Toen hij daar een minuut of vijf mee bezig was, ontstond er onrust bij een echtpaar dat voor hem zat. Ze stootten elkaar aan, waarna de man opstond en zich omdraaide naar de beller. „We zitten in een stiltecoupé”, zei hij. Hij voegde er een woordje aan toe dat ik niet verstond.

De grijze beller reageerde alsof hij zwaar beledigd werd. „Ik ben al zeventig, gozer, je kunt je ook wel wat netter uitdrukken.”

„Doet er niet toe”, zei de ander, „je kunt ook ergens anders gaan zitten.”

„Ik doe wat ik wil”, schreeuwde de grijze, „als ik moet bellen, moet ik bellen.”

„Niks ervan, je gaat weg of je houdt je mond”, schreeuwde ook de klager.

Diens vrouw onderkende het gevaar van noodlottige escalatie, ze stond op en riep: „Oké jullie, nu mond dicht.” En tegen de grijze: „U heeft gezegd wat u wilde zeggen. Mijn man is trouwens ook al zestig, en daar zeg je geen gozer meer tegen.”

Een weldadige stilte trad in. De grijze belde niet langer, de klager zat bleek en aangeslagen naast zijn vrouw – woede kan zeer uitputtend zijn. Alles leek gezegd, we moesten ongeschonden Utrecht kunnen halen.

Nog geen tien minuten later klonk even verderop het gejengel van het mobieltje van een andere reiziger. Hij begon geanimeerd een gesprek in het Engels. De vrouw van het echtpaar tikte hem op zijn mouw en zei: „It’s a silence-compartment here.”

De man reageerde boos in onvervalst Nederlands: „O ja? Waarom praat jij dan?”

De vrouw liet deze brutale ongerijmdheid even op zich inwerken voordat ze zei: „Dit is een stiltecoupé, u moet ergens anders gaan zitten.”

Daarop draaide de man zich om naar de grijze beller van zojuist en zei: „Ik voel met u mee, hoor.” De grijze knikte dankbaar.

„Dit hoort niet”, zei de vrouw zo waardig mogelijk.

De stilte die nu ontstond was tot de tanden gewapend. Ze duurde tot Utrecht, waar de grijze beller uitstapte met een hoofd dat nog nagloeide van verontwaardiging.