Schipperen tussen Franciscus en Orbán

©

Nu komt er dus een Frans-Britse muur bij de Kanaaltunnel, langs het stukje weg tussen de ‘jungle’ van Calais en de tunnelingang. Zoals Spanje al eerder muren optrok voor Noord-Afrikaanse enclaves en Amerika hekken langs flinke stukken van de Mexicaanse grens. Vallen zulke barrières te rijmen met de mensenrechten van vluchtelingen en migranten? „Niemand zal pretenderen dat grensmuren en hekken aangenaam zijn om te zien”, schrijft de Britse politieke denker David Miller in zijn nieuwe boek, „maar als burgers het immigratiebeleid van hun staat moeten omhelzen, moeten ze er zeker van kunnen zijn dat het beleid effectief is en dat de mensen die toegang krijgen diegenen zijn die aan de criteria voldoen.” Miller, al decennia een zwaargewicht in Oxford, komt met Strangers in our midst: The political philosophy of migration (2016). Zijn vakgebied focust vanouds op de relaties tussen een staat en de eigen burgers, terwijl in het denken over internationale relaties de relaties tussen staten onderling centraal staan. Beide zijden gaan voorbij aan dé brandende kwestie vandaag: welke claims kan een individu van buiten leggen op een andere staat? Welke verantwoordelijkheid draagt Frankrijk voor een migrant uit Mali, Nederland voor een vluchteling uit Syrië? Hoe gaan we om met de spanning tussen universele rechten en een specifieke gemeenschap?

Voor kosmopolitische denkers overtroeft het recht van de migrant op zoek naar een beter leven andere afwegingen. Dan is je morele dilemma snel opgelost en moeten grenzen in beginsel open zijn. Bijvoorbeeld omdat de aarde gemeenschappelijk eigendom van alle aardbewoners is of vanwege een mensenrecht op migratie. David Miller, een sociaaldemocraat die al in de jaren negentig schreef over nationale identiteit en burgerschap, neemt zulke argumenten serieus maar weerlegt ze voorzichtig. Tegenover het recht van het aankloppende individu, dat als mens tegemoet moet worden getreden, plaatst hij het recht van de staat en de groep mensen die deze vertegenwoordigt greep te houden op de omvang en samenstelling van de eigen gemeenschap. Zo is in een liberale democratie de pluraliteit van privé-opvattingen of culturen een groot goed, maar vergt de publieke debatruimte tevens een minimum aan gedeelde grondopvattingen tussen alle burgers. Argumenterend en aftastend doet Miller iets wezenlijks: hij zoekt een taal die we ontberen. Een taal waarin we legitieme afwegingen kunnen maken over een heikele democratische kwestie, zonder te vervallen in de utopie van wereldburgerschap of het cynisme van gezichtloos prikkeldraad.

Stel een wandelaarster is gestrand in de woestijn en vraagt je om water: als je dat hebt, en de enige bent tot wie ze zich kan wenden, ben je verplicht het te geven – voor haar een kwestie van overleven. Maar stel nu, vervolgt Miller deze denkoefening, dat de gestrande wandelaarster daarna vraagt om een boek uit je rugzak, omdat ze niets meer te lezen heeft. Ben je ook verplicht dat te geven? Er staat geen mensenrecht op het spel dus het hoeft niet, maar je moet het verzoek volgens hem serieus nemen en, als je geen boek kunt missen, op zijn minst een reden geven, als teken van respect. In welke situatie brengt ons de immigrant die om toelating tot ons land vraagt? Is het de vraag om water of om een boek? En welke redenen zouden we in dat laatste geval voor weigering kunnen geven? Zulke vragen houden ons nog jaren bezig. Ze vragen dringend om publieke woorden die de stand-off tussen moreel appel en allemaal-buiten — tussen paus Franciscus en Viktor Orbán — doorbreken.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof in Brussel. Deze column is wekelijks.