‘Ik laat personages graag hun hart tonen’

Interview Figaro-regisseur David Bösch

David BöschIn ‘Le nozze di Figaro’ bij De Nationale Opera zoekt regisseur David Bösch naar de juiste balans tussen licht en zwaar. „Uit mijn toneelregies blijkt dat ik een beeldende taal heb.”

Regisseur David Bösch Foto Henk Witti

Het is een licht komisch, maar ook wrang moment, bij aanvang van de derde akte van Le nozze di Figaro: onder het zingen van een aria knoeit de graaf wijn op de vloer, beveelt een bediende het vocht op te vegen, en giet dan heel pesterig een nieuwe scheut vlak voor diens voeten. Vernederd wordt de bediende uiteindelijk weer van het toneel gejaagd.

Zo toont regisseur David Bösch efficiënt het rangenverschil en het karakter van Graaf Almaviva, in zijn enscenering van Mozarts Le nozze di Figaro waarmee hij deze week debuteert bij De Nationale Opera. En laat hij tevens merken dat het werk voor hem niet alleen maar een ‘opera buffa’, een komische opera is.

„Mozart en Shakespeare zijn voor mij de grootste genieën, omdat zij de grenzen tussen komedie en tragedie laten vervagen en voortdurend switchen tussen stemmingen”, vertelt Bösch vlak vóór de generale repetitie.

De veelgevraagde Duitse regisseur oogt met zijn casual kledingstijl en lange haren jonger dan de 38 jaar die hij is. Een beetje moe lijkt hij ook. „De laatste fase van een repetitieproces is zwaar, mede omdat ik me dan moet afvragen of het me echt wel lukt: heeft de voorstelling de juiste balans tussen licht en zwaar, vinden we een geloofwaardige oplossing voor de genre-typische situaties zoals de minnaar die zich verbergt in de slaapkamerkast?”

Elektroshock

Opera is een relatief nieuw genre voor hem. Bösch’ carrière begon als theaterregisseur; hij verbond zich aan toneelgezelschappen in Essen en Bochum en het Burgtheater van Wenen. Een zekere jeugdige onervarenheid benutte hij in zijn voordeel. Neem de radicale bewerking van Leonce und Lena van Georg Büchner: de komedieklassieker werd door Bösch teruggebracht tot vier acteurs en zes pagina’s tekst – en werd met prijzen overladen.

„Men zei: ik wist niet dat het ook zo kon. Dat is meteen het probleem. Hoe meer je ziet en hoe meer stukken je zelf ensceneert, hoe moeilijker het regievak wordt. Soms fantaseer ik over een vrijwillig toegepaste elektroshock die al mijn kennis en ervaring uitwist, zodat ik werkelijk bevrijd van alle voorkennis een werk kan benaderen.”

Toch was Bösch verbaasd en licht geïntimideerd toen de intendant van de Bayerische Staatsoper hem benaderde met de vraag: zou je eens een opera willen proberen? „Dat getuigde van moed, al blijkt uit mijn toneelregies al dat ik een beeldende taal heb: ik werk graag met veel ruimte, licht, muziek. En emoties! Ik ben zelf geen bijzonder emotioneel mens, maar laat personages graag hun hart tonen. En dan is opera toch een zeer toepasselijk gevoelsvol genre, vergeleken bij Sprechtheater dat allereerst vanuit het hoofd komt.”

Vijf producties maakte Bösch reeds bij het zeer prestigieuze operahuis in München en lang niet de eenvoudigste opera’s. Vorig seizoen ging zijn versie van Die Meistersinger von Nürnberg in première. Beladen materie, want deze komische opera van Wagner eindigt met de oproep ‘eert uw Duitse meesters’ en de waarschuwing voor al te wezensvreemde elementen in de Duitse kunst. Het was koren op de molen van de nazi’s die de opera voor propagandadoeleinden misbruikten, maar net zo goed dankbaar materiaal voor moderne regisseurs die een politiek statement willen maken.

Zo niet Bösch. „Ik ga een opera van bijna vijf uur niet vormgeven rond de statements die in de laatste drie minuten worden gemaakt”, was zijn weerwoord op de kritiek dat hij het politiek dubieuze element van Wagners opera niet uitspeelde. Wederom gebruikte hij zijn beginnersvoordeel. De historische ballast ging overboord.

Politiek gehalte

Vraag Bösch naar het politieke gehalte van Figaro, en hij antwoordt: „Dat interesseert me eigenlijk in het geheel niet.” Natuurlijk, in het oorspronkelijke toneelstuk van Beaumarchais worden stevige woorden gewisseld tussen de dienende klasse en de adel. De graaf wil gebruikmaken van het Droit du seigneur om met de jonge bediende naar bed te kunnen, waar haar verloofde begrijpelijkerwijs tegen in opstand komt. Pittige materie, zo vlak voor de Franse Revolutie. Maar, zegt Bösch, „het operalibretto van Da Ponte heeft vervolgens veel water bij de wijn gedaan. Het accent is in de opera echt op het komische element komen te liggen, en dat wil ik grotendeels respecteren.”

Dus laat hij de graaf zijn personeel vernederen, maar dan vooral om diens nare persoonlijkheid te verduidelijken. En zien we bij De Nationale Opera weliswaar een duidelijk standencontrast op het draaitoneel, waar de slaapkamer van het adellijk echtpaar opulent afsteekt tegen de eenvoudige vertrekken van de bediening. Maar uiteindelijk maakt dat decor plaats voor één brede speelvloer. „De twee klassen worden letterlijk door muren gescheiden, die ik in de laatste akte ophef. Er komt dan een hoge concentratie te liggen op de figuren zelf, waarbij ik de grote speelvreugde van de opera hopelijk kan laten zegevieren. Onze decors blijven grauw, de kleuren komen van de zangers.”

Al blijft hij ook theater maken, Bösch lijkt definitief tot de opera bekeerd. „Met toneelteksten kun je vrijer omgaan en stiltes laten vallen, dat was in het muziektheater even wennen. Een aria duurt lang, aan de oppervlakte gebeurt schijnbaar niets. Innerlijk is er ondertussen echter van alles aan de hand. Bij een YouTube-clip is het precies omgekeerd. Daarom kost het meestal tijd om opera te leren waarderen.”