Hangplekken

Op een warme wandeling van Kijkduin naar Scheveningen kwam ik langs enkele interessante educatieve borden. Ze herinnerden me aan de vriendelijkheid waarmee Nederlanders dieren behandelen als ze die niet hoeven op te eten.

De borden gaven uitleg over de manier waarop de ruïnes van de bunkers – restanten van de Atlantikwall – in de aangrenzende duinen benut worden. De bunkers hebben niet alleen cultuurhistorische waarde, las ik, maar zijn ook van belang voor de vleermuizen als „overwinter- en paarverblijf”. Daartoe zijn in de bunkers een aantal specifieke voorzieningen aangebracht. „Zo is het aantal hangplekken en wegkruipmogelijkheden vergroot.”

Hangplekken en wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen! Daar zouden de militaire Duitse bouwmeesters niet zo gauw aan gedacht hebben. Ik kon niet beoordelen of de faciliteiten comfortabel genoeg waren voor de vleermuizen – daarvoor waren de begeleidende foto’s onvoldoende duidelijk.

Ook weet ik niet of er nog speciale hangplekken zijn gemaakt voor de hangjongeren onder de vleermuizen, maar in ieder geval lijkt het me voor vleermuizen heerlijk donker en koel in die bunkers. Er is wat weinig vertier als je er de godganse dag moet rondhangen, maar misschien kunnen voorzieningen voor zang en dans uitkomst bieden. Johann Strauss heeft niet voor niets een operette naar hen vernoemd.

Op al die mogelijkheden kauwde ik terwijl ik met mijn vrouw naar Scheveningen liep – een door mij overigens danig onderschatte afstand vanaf Kijkduin. Wat ik in Kijkduin deed? Een Haagse taxichauffeur had me verteld dat hij het een veel rustiger en gemoedelijker badplaats vond dan Scheveningen. Daar had hij vermoedelijk wel gelijk in, zag ik, maar om het goed te kunnen vergelijken moest ik toch even doorlopen naar Scheveningen, waar ik lang niet meer geweest was.

Wat me daar vooral opviel was dat er een zee is bijgekomen: een zee van eetzaken op het strand, die met hun hoge daken het zicht op de echte zee vanaf de boulevard danig blokkeren. Om een beter zicht te krijgen, besteeg ik de trappen naar het terras van het Kurhaus. Daar heerste deze middag nog de ietwat formele, koloniale sfeer van zich vervelende, rijke mensen en gedienstige obers – het Kijkduin van die taxichauffeur was er ver weg.

De enigen die zich daar niets van aantrokken, waren de meeuwen, de parvenu’s onder de vogels. Zij trippelden brutaal krijsend om de tafeltjes, vooral als de drankjes begeleid werden met glaasjes vol pinda’s. Wat vleermuizen te weinig hebben, hebben meeuwen te veel: hoorbare aanwezigheid.

Ik stelde mijn vrouw voor haar te fotograferen tegen de monumentale achtergrond van het Kurhaus. Daarvoor moesten we ons tafeltje verlaten en elders postvatten: ik op de trappen, zij erboven. Terwijl ik stond af te drukken ontstond er groot tumult aan ons tafeltje. Een formidabele schreeuwmeeuw was erop neergestreken en stak zijn snavel diep in een wijnglas; het pindaglaasje was al leeg. Ontevreden steeg hij weer op terwijl hij het glas met zijn vleugels een opdonder gaf, zodat het in stukken tegen de stenen vloer sloeg. De wijn spatte rond.

Een ober kwam toegesneld en ruimde de rommel op terwijl wij schuldbewust toekeken. „Om eerlijk te zijn”, zuchtte hij, „als ik alleen bardienst heb, vertik ik het om pinda’s aan de klanten te geven.”