Figaro met gouden grepen én zwakkere schakels

Komische en akelige scènes wisselen elkaar af in Le nozze di Figaro van De Nationale Opera. Foto Monika Rittershaus

Waar draait het eigenlijk om in Mozarts opera Le nozze di Figaro? Schuivende mores, schurende standsverschillen, het bitter en zoet van de liefde – en dat alles met geniale muziek als transmitter. Als je die ingrediënten sec op een lijst zet, ontbreekt er niets aan de nieuwe productie waarmee De Nationale Opera het seizoen opent.

Kosmisch versus akelig

Regisseur David Bösch (38) is van de postconceptuele generatie. Hij staat voor frisse, onopgesmukte benaderingen, ontwikkeld vanuit het verhaal zelf. Zo was zijn Idomeneo voor de Vlaamse Opera afgelopen mei in niks vergelijkbaar met deze nieuwe Nozze, waarin de focus ligt op het komische versus het akelige, of – enger – de plaatsen waar die samenvallen.

Bösch leunt zwaar op het goede werk van zijn vaste decorontwerper Patrick Bannwart. Die verbeeldt het contrast tussen meester en knecht efficiënt: aan de ene kant van een monumentale draaimuur zien we de protserige slaapkamer van Graaf en Gravin; aan de andere kant, voor kaal beton, bloeit kleurrijk de liefde tussen kamerdienaren Figaro en Susanna. De leukste vondst zit tússen de muren: het pubernest van page Cherubino, zwijmelend voor zijn vrouwenposters. Daarbij is er volop spektakel (fietsen, serpentines) en een overvloed aan niet allemaal even geslaagde details in de personenregie. Feeëriek wordt de productie nergens. De pastorale elegantie van een aria als Deh vieni, non tardar krijgt cynisch contrapunt van een rijtje omgetrapte huurklapstoelen.

Gouden greep

Als Cherubino is Marianne Crebassa een gouden greep, ontroerend echt in timbre en présence. Maar de cast kent ook wat zwakkere schakels. Zo is Alex Esposito een goed zingende, ‘boy-next-door’-achtige Figaro, maar mist hij vocaal de finesse om echt te bedreigen of te verleiden. Daardoor blijft ook zijn Figareske flierefluitersflair iets flets (Luca Pisaroni in 2006 was wat dat betreft voorbeeldig). Allengs mooier wordt de pittige, met strijkijzer bewapende Susanna van Christiane Karg, tegenover wier charisma Eleonora Buratto (Gravin) met haar mooie timbre met merkwaardige registerschokjes net wat te weinig edel afsteekt. Charismatisch en vocaal krachtig is Stephane Degout als de Graaf – een proleet in trainingsbroek die champagne morst om zijn dienaren het knielen te leren, en wie je zijn ius primae noctis zeer van harte misgunt.

Lees ook: Interview Figaro-regisseur David Bösch ‘Ik laat personages graag hun hart tonen’

Het Nederlands Kamerorkest bewijst zich een uitstekend, geïnformeerd en actief spelend Mozart-ensemble. Het grijpt je in de ouverture meteen bij de lurven en zorgt regelmatig voor momenten van tederheid en lyriek.

In de laatste akte, na de grote maskerade die tot de blijde hereniging van de Graaf en de Gravin moet leiden, is het toneelbeeld één. Maar voor een Happy End behoedt regisseur Bösch de bedrogen Gravin: zij sluit haar Graaf niet in de armen, maar richt haar geweer op hem. Doet ze het, of doet ze het niet? Dat mag onze fantasie lekker zelf invullen.