Een filmregisseur met een kunstenaarsoog

Vermeerprijs

Steve McQueen wint Nederlandse staatsprijs voor de kunsten, voor films die het ‘universeel menselijke’ belichten.

Steve McQueen Foto Matt Sayles / AP

Beeldend kunstenaar en filmmaker Steve McQueen is de winnaar van de Johannes Vermeer Prijs 2016, de Nederlandse staatsprijs voor de kunsten. Hij krijgt de prijs, die bestaat uit 100.000 euro, omdat hij volgens de jury „op voortreffelijke wijze het universeel menselijke belicht, vaak in situaties waarin mensen onderdrukt, onvrij en gekweld hun waardigheid bevechten en bewaren”. Het geldbedrag mag McQueen besteden aan een van zijn nieuwe projecten. Minister van Cultuur Jet Bussemaker zal de prijs op 7 november uitreiken in De Ridderzaal in Den Haag.

McQueen (Londen, 1969) was pas dertig toen hij in 1999 werd bekroond met de Turner Prize, de belangrijkste Britse kunstprijs. Met de film Deadpan, een komische hommage aan Buster Keaton, versloeg hij dat jaar de andere grote kanshebber: Tracey Emin met haar beslapen bed. Maar op zijn lauweren is de in Amsterdam wonende Britse kunstenaar nooit blijven rusten. Met de speelfilm Hunger maakte hij in 2008 de ongebruikelijke overstap naar de filmwereld en sleepte hij in Cannes direct de Camera d’Or binnen. Zes jaar later stond hij in Hollywood op het podium van de Academy Awards, om daar als eerste zwarte regisseur de Oscar voor Beste Film in ontvangst te nemen voor 12 Years a Slave.

McQueen is een kunstenaar met een filmische blik en een filmmaker met een kunstenaarsoog – een regisseur met een buitengewoon goed gevoel voor kleur en compositie. In zijn vroege werken onderzocht McQueen, die in Londen aan het Goldsmith College studeerde en korte tijd een filmstudie volgde in New York, vooral de formele aspecten van het medium film. Hij liet de camera vreemde capriolen maken, zoals in Drumroll (1998), waarin hij de straten van Manhattan filmde vanuit een rollend olievat.

Maar al snel werden zijn filmwerken steeds langer en zijn onderwerpen steeds geëngageerder. In de video-installatie Western Deep (2002), gefilmd in een goudmijn in Zuid-Afrika en een van de hoogtepunten van de Documenta in 2002, gaf hij de bezoeker het claustrofobische gevoel van het kilometers afdalen in een mijnschacht. Met Gravesend, in 2007 getoond op de Biënnale van Venetië, nam McQueen het publiek diep mee de jungle van Congo in, waar arbeiders in de coltanmijnen onder erbarmelijke omstandigheden de grondstoffen voor westerse mobieltjes en laptops uit de grond halen.

Wat al deze films kenmerkt, is de rauwe, indringende cameravoering, dicht op de huid van het onderwerp. McQueen zoomt in op de vlieg die neerstrijkt op het oog van een stervend paard (in Running Thunder, 2007). Hij laat de stront zien op de celmuren van de Maze-gevangenis die het decor vormt van Hunger, zijn speelfilmdebuut over de hongerstaking van IRA-leden begin jaren tachtig. Zodat je als kijker haast fysiek de beklemming ervaart. „Ik wil dat de toeschouwer proeft, ruikt hoe het er in die gevangenis aan toeging”, zei hij daarover in een interview met deze krant. „Ik ben geïnteresseerd in de details waarover je niet leest in de geschiedenisboeken. Dat als de gevangenen ’s ochtends wakker werden, er maden over hun lichamen liepen. Zulke details laten zien, is effectiever dan woorden gebruiken.”

Met zijn radicale, onconventionele manier van filmen breekt McQueen met alle wetten van Hollywoodfilms. Zo wordt in de eerste drie kwartier van Hunger nauwelijks gepraat, terwijl de tweede helft van de film gevuld wordt door één lange dialoog van bijna twintig minuten lang. Al even provocerend is het onderwerp van zijn tweede speelfilm, Shame (2011), over een seksverslaafde New Yorker – opnieuw een intense film, vol masturbatie- en seksscènes.

Met 12 Years a Slave, een bewerking van de memoires uit 1853 van de slaaf Solomon Northup, won McQueen niet alleen een Oscar, maar ook een BAFTA en een Golden Globe. De film heeft de kunstenaar wereldfaam gebracht: Time Magazine rekende hem in 2014 tot de honderd meest invloedrijke mensen ter wereld.