De grote Toer

Profiel Toer van Schayk

Choregraaf en beeldend kunstenaar Toer van Schayk behoort tot de grote namen in de dans. Zijn tachtigste verjaardag wordt gevierd met een boek en een huldeprogramma.

©

Met zijn bijna tachtig jaar (op 28 september is het zover) is Toer van Schayk de jongste. De jongste van ‘de drie Vans’, zoals de trojka Rudi van Dantzig-Hans van Manen-Toer van Schayk in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd genoemd. De jongste en bovendien de meest veelzijdige van de drie toenmalige huischoreografen van Het Nationale Ballet. Naast (ooit) een charismatisch danser is hij choreograaf en beeldend kunstenaar. Als dubbeltalent creëerde hij de decors en kostuums voor de balletten die hij sinds begin jaren zeventig zelf maakte, én voor anderen, Van Dantzig voorop. Ook van buiten de danswereld (toneel, opera en musical) is meer dan eens een beroep op zijn ontwerperskwaliteiten gedaan.

Publieke bekendheid

Toch is deze ‘laatste renaissancist’, deze ‘Leonardo da Vinci van Amsterdam’ tevens de minst bekende van de drie. Misschien juist omdát hij, in zijn eigen woorden, „heen en weer heeft gefladderd tussen verschillende kunstvormen”. In het boek Toer van Schayk, danser, choreograaf & kunstenaar, dat ter gelegenheid van Van Schayks kroonjaar wordt uitgebracht, verklaart hij geen spijt te hebben van zijn ‘gefladder’. „Als je wereldberoemd wilt worden, moet je je op één ding concentreren. Maar dat is toch niet het artistieke leven dat ik ambieerde. Je ne regrette rien.”

Waarschijnlijk is hij van de drie ook het minst geschikt voor publieke bekendheid. Van Schayk – nog altijd een mooie man, lang en slank, met opvallende, donkere ogen en een vaak wat afwezige (verlegen?) blik – is vriendelijk, maar soms wat stroef in de communicatie. Hij opereert graag in de luwte, in eenzame concentratie.

Zelfs de creatie van een choreografie, bij uitstek een gezamenlijke inspanning, begint als solitaire arbeid. Ideeën voor poses, partnerwerk, lifts, groepsformaties en -bewegingen worden stuk voor stuk, als in een bewegingspartituur, in ontelbare tekeningen vastgelegd. Mappen vol heeft hij er in de loop der jaren geproduceerd. Ze vormen zijn houvast als hij voor het eerst de studio met wachtende dansers binnenstapt; een moment dat hij na al die jaren nog vreest.

Thuis, in zijn atelier in de kelder, werkt hij aan zijn schilderijen en sculpturen. Zijn stijl is figuratief, maar hij neemt vaak een loopje met proporties en perspectief. Onbestemd dreigend is de sfeer in de meeste van zijn schilderijen. In dat atelier ontstaan ook de uiterst gedetailleerde decormaquettes, waarin álles werkt, en kostuumontwerpen, kleine kunstwerken op zichzelf.

Dagelijks wijdt hij zich een uur aan wat hij als de meest verheven kunstvorm ziet: de muziek. Dan speelt hij op de klavecimbel, een kopie van een 18de-eeuws exemplaar. Zelf gebouwd en beschilderd, net als het model van een historisch fregat in de woonkamer van zijn huis, dat goed is weggestopt in een smalle steeg in een van de oudste wijken van Amsterdam. Hondje Laika is zijn huisgenoot.

Dienstbevel

Choreograaf was hij misschien wel nooit geworden als Rudi van Dantzig (1933-2009) – destijds artistiek leider van Het Nationale Ballet, jarenlang zijn geliefde, nog langer zijn boezemvriend – hem in 1971 niet had opgedragen een ballet te maken. Een ‘dienstbevel’ dat hij met de nodige aarzeling opvolgde. Van Schayk zag zichzelf niet als choreograaf en maakte, zegt hij zelf, zijn vroege werk vooral uit een soort plichtsbesef.

Zijn eersteling, Onvoltooid Verleden Tijd, droeg al veel kenmerken van zijn choreografische stijl in zich. Anders dan de expressionistische, soms moralistische en vermanende balletten van zijn zielsverwant Van Dantzig, zijn de choreografieën van Van Schayk eerder bespiegelend en abstraherend van aard en doortrokken van een diepe melancholie.

Al in zijn tweede ballet, Voor Tijdens en Na het Feest (1972), openbaarden zich de thema’s en motieven die in zijn latere balletten regelmatig zouden terugkeren: naderend onheil, onvermogen tot contact, kritiek op de manier waarop de mens omgaat met zijn omgeving en de aarde uitput (het invloedrijke rapport van de Club van Rome, Grenzen aan de groei, was begin jaren zeventig hyperactueel).

Ondanks een onmiskenbare expressiviteit geven de balletten van Van Schayk hun diepere lagen en betekenissen meestal niet zomaar prijs. Dát, en zijn weerbarstige bewegingstaal, is waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak voor zijn positie in de schaduw. Zelfs zijn vakgenoten kijken vaak met verwondering naar zijn choreografieën. „Alsof iemand je van achteren in je knieën schiet”, zo beschrijft een voormalig soliste van HNB het effect dat de eerste kennismaking met Van Schayks werk op haar had. Een van haar collega’s vertelt hoe extreem moeilijk het is „de vaak surrealistisch aanvoelende choreografieën van Toer goed in je systeem te krijgen. Om de ene pose organisch met de andere te verbinden.”

Daarnaast wekt zijn eigenzinnige benadering van de muziek regelmatig verbazing. Dirigent Ed Spanjaard vertelt in Toer van Schayk, danser, choreograaf & kunstenaar dat hij er nooit in geslaagd is de muzikaliteit van de choreograaf te doorgronden. „Toers muziekgevoel is zó anders, zó niet voor de hand liggend.” Elders in het boek bekent een danseres dat Van Schayks muziekgevoel voor haar aanvankelijk „totaal ongerijmd” overkwam. De innerlijke logica ontdekte ze pas later.

Beeldhouwer

Ook voor de toeschouwer is vaak invoelbaar dat Van Schayks werk niet altijd ‘lekker danst’, met vaak gekromde, hoekige houdingen, tegendraadse draaiingen van torso en ledematen, lichaamslijnen die alleen op de millimeter geplaatst moeten worden. In dat bewegingsidioom is de ruimtelijke blik van de beeldhouwer herkenbaar, zoals soms juist weer de schilder opduikt in houdingen die het driedimensionale lichaam in twee dimensies lijken te dwingen.

Paradoxaal genoeg veroorzaakt dat, in een theatrale belichting, een enorme plastische kwaliteit. Zelf zegt hij daarover: „Je creëert als choreograaf geometrische constructies, maar je doet dat met menselijke lichamen die daarvoor helemaal niet gebouwd zijn. Ballet is streven naar het fysiek onmogelijke, wetende dat dat nooit helemaal zal lukken. Dat spanningsveld heeft mij altijd ongelooflijk gefascineerd.”

Met al zijn talenten mag Van Schayk dan geen ‘BN’er’ zijn geworden (hij zou van die titel gruwen), maar professionele erkenning is niet uitgebleven. Als decor- en kostuumontwerper wordt hij wereldwijd bewonderd om zijn gevoel voor stijl en historie. Mooier vormgegeven versies van Het Zwanenmeer, Romeo & Julia, Notenkraker en Muizenkoning als die van Het Nationale Ballet zijn bijvoorbeeld nauwelijks te vinden. Dat succes baart hem overigens enige zorg: „Het is niet te hopen dat mensen nu gaan denken dat ik alleen een klassieke ontwerper ben.”

Dat zal in balletkringen niet gebeuren. Van Schayk is geridderd en meermalen gelauwerd. In 2012 ontving hij voor zijn gehele oeuvre de Benois de la Danse, de belangrijkste internationale dansprijs.

En voor degenen die Het Nationale Ballet al volgden ten tijde van ‘de drie Vans’, is en blijft hij een van de grote namen van de Nederlandse dans.