We kunnen weer gaan investeren

Het had zomaar gekund: minister Dijsselbloem die over twee weken een begrotingstekort zou presenteren van 0 procent.

PAD Schinkel, Maarten PAD 013

Een begroting in evenwicht dus. De jongste prognose van het Centraal Planbureau (CPB), kort na de Brexit van juni, wijst op een verwacht begrotingstekort van nog maar 0,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) voor de Nederlandse schatkist in 2017. Had het kabinet vorig jaar geen 5 miljard lastenverlichting uitgedeeld (0,8 procent van het bbp), dan zou het tekort van nu nog lager kunnen zijn geweest – al heeft die vijf miljard natuurlijk intussen wel de economie aangejaagd, hetgeen indirect weer wat ten goede zal zijn gekomen aan het begrotingssaldo.

Maar zelfs die 0,6 procent voor 2017 is goed nieuws. Pas op Prinsjesdag weten we het werkelijke cijfer. Misschien gaat het nog wat tegenvallen door electoraal geïnspireerde kabinetsmaatregelen – denk aan koopkrachtreparatie voor ouderen. Misschien valt het juist wat mee, omdat het CPB de negatieve gevolgen van de Brexit misschien iets heeft overschat. De uitkomst zou zomaar in balans kunnen zijn, met een handhaving van die verwachte 0,6 procent begrotingstekort als resultaat.

Interessant is daarbij dat het structurele tekort, gecorrigeerd voor de conjunctuur, zelfs nog wat lager kan uitvallen. Het IMF en de OESO voorzagen tot dusverre een structureel tekort dat iets kleiner is dan het feitelijke tekort, volgens de Europese Commissie zijn beide in balans.

Een tekort dat zich dicht naar de nul beweegt, opent een hele nieuwe discussie, waar tot nu toe opvallend weinig aandacht voor is geweest. Het hele idee van het Stabiliteitspact is er niet een van voortdurende bezuinigingsdrift. De bedoeling van het pact is juist dat begrotingen kunnen mee bewegen met de conjunctuur. Wat daar wél voor nodig is, is een beginsituatie waarbij het begrotingssaldo in balans is: close to balance or in surplus, om het pact letterlijk te citeren.

Dat punt is in Nederland volgend jaar kennelijk vrijwel bereikt, economisch onheil daargelaten. En daarmee vervalt ook de netto-bezuinigingsopdracht waarmee kabinetten sinds de 2008 zijn opgezadeld. En dat betekent veel.

Er zijn drie manieren om de periode van lage groei en lage inflatie tegen te gaan, waarin de Westerse (en Nederlandse) economie sinds 2008 verkeert. Van de eerste manier, het monetaire beleid, is al (te) veel gevergd. De tweede manier, ‘structurele hervormingen’, stuit op groeiend maatschappelijk verzet. Het ontteugelen van de economie door meer flexibiliteit en openheid kent een groeiende weerstand. Het grote publiek wijst nieuwe handelsverdragen af en ook de flexibele arbeidsmarkt heeft zijn grenzen bereikt, of overschreden. Als zelfs D66 zich gaat inzetten voor het vaste dienstverband, dan weet je wel hoe laat het is.

Resteert aanpak nummer drie: het begrotingsbeleid. En hoewel een begrotingsevenwicht geen startschot moet zijn voor een golf lichtvaardige uitgaven, krijgt Nederland nu de ruimte om eens na te denken over langetermijninvesteringen waar internationaal al langer om wordt gevraagd. De infrastructuur ligt er, anders dan in de Verenigde Staten of Duitsland, uitstekend bij. Maar op het gebied van duurzame energie liggen we zeer ver achter bij de ons omringende landen. Een begroting die vrijwel in evenwicht is, en gratis financiering door 0 procent rente op de staatsschuld, scheppen daar straks meer vrijheid voor. Met mate, zoals altijd. Maar we leven bijna in een nieuw tijdperk, waarin de dingen weer kunnen.

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag op deze plek over macro-economie en de financiële markten.