Strafhof, geef toe dat je politiek bent, maar leg je keuzes wel uit

Opinie Dat het Internationaal Strafhof iemand vervolgt voor het vernietigen van de mausoleums in Timboektoe is een politieke keuze, vindt Marieke de Hoon. „Logisch voor één klein hof in een wereld vol gruwelijk geweld.”

Foto AFP

Vorige week vond bij het Internationaal Strafhof in Den Haag het historisch korte proces plaats tegen Ahmad al-Faqi al-Mahdi. Hij werd vervolgd voor een oorlogsmisdrijf. In dit geval het vernietigen van cultureel, religieus en historisch erfgoed: de mausoleums in Timboektoe. Het is voor het eerst dat dit hof iemand voor culturele misdrijven vervolgt. Ook voor het eerst dat het Hof een islamitische extremist vervolgt, en dat een verdachte schuld bekent, wat een strafzaak aanzienlijk versimpelt en verkort.

Voor het Internationaal Strafhof mag, na gedoe over gebrek aan bewijs, intimidatie van getuigen en eindeloos voortslepende processen, deze korte en naar verwachting succesvolle zaak – de uitspraak volgt 27 september – een klinkend succes heten. Tegelijk is er kritiek. Waarom wordt Al-Mahdi vervolgd voor alleen het vernietigen van cultureel erfgoed terwijl hij ook wordt verdacht van moord en verkrachting? En waarom besteedt het Hof zijn schaarse middelen aan deze middenmoter in plaats van de echte leiders?

Die vragen zijn terecht, want het Hof legt niet goed uit waarom het zijn keuzes maakt. En dat is een gemiste kans. Het Hof is de afgelopen jaren toenemend onderwerp van kritiek. Het wordt ervan beschuldigd anti-Afrikaans te zijn, niet tegemoet te komen aan de behoeften van slachtoffers, en een politiek hof te zijn. Die kritiek is niet altijd los te zien van het eigenbelang van leiders die zelf proberen onder een proces uit te komen. Maar het is niet terecht om de kritiek zomaar weg te wuiven, zoals het Strafhof gewoonlijk doet. In plaats daarvan zouden we moeten erkennen dat het Internationaal Strafhof (ook) een politiek hof is, dat keuzes maakt over wie het vervolgt en voor wat en die onvermijdelijk politiek zijn. En dat is prima. Maar we mogen wel verwachten dat het die keuzes uitlegt en dat die ter discussie kunnen staan.

Eén klein Strafhof in Den Haag in een wereld vol gruwelijk geweld kan natuurlijk niet opereren zonder keuzes en prioriteiten. Het is daarmee niet te vergelijken met een nationaal strafhof dat alle ernstige misdaden behoort te rechercheren en (bij voldoende bewijs) vervolgen. Dit Internationaal Strafhof heeft echter te maken met zaken die vele malen complexer zijn om te bewijzen, met een klein budget (het heeft slechts enkele tientallen onderzoekers voor alle zaken terwijl er voor een enkelvoudige moordzaak in Nederland al gauw evenveel op de been worden gebracht) en beperkte rechtsmacht waardoor het vaker niet dan wel kan optreden. Binnen die beperkingen moet het Hof zijn agenda zo effectief mogelijk uitvoeren.

Wat we uit de keuzes van het Hof kunnen afleiden is dat die agenda niet alleen bestaat uit gerechtigheid voor individuele slachtoffers van massageweld, waar mogelijk, maar ook om als symbool-Strafhof strategische zaken te doen waarmee het grenzen stelt voor wat absoluut en universeel verwerpelijk misdadig is. Het Hof opereert dus niet alleen politiek, maar ook politiek bewust, zoals we in de zaak-Al-Mahdi goed kunnen zien. In een wereld geteisterd door islamitisch fundamentalistisch geweld en waar we machteloos toezien hoe cultureel erfgoed in Syrië, Irak en Afghanistan wordt vernietigd en met de opbrengst van de plunderingen de terroristische strijd wordt gefinancierd, kiest het Hof ervoor een zaak op te pakken waarin dit veroordeeld wordt.

Hoe ernstig het vernietigen van cultureel erfgoed ook is – het gaat gewoonlijk gepaard met het etnisch zuiveren en vernietigen van een groep door de identiteit van een groep te vernietigen, hun cultuur, geschiedenis, waardigheid – Al-Mahdi is niet de meest verantwoordelijke dader van het geweld in Mali, en wordt hier niet vervolgd voor de meest ernstige misdrijven die we ons maar voor kunnen stellen. En dat hoeft ook helemaal niet. Deze zaak is ernstig genoeg, belangrijk als voorbeeld, gemakkelijk te bewijzen omdat de daden van Al-Mahdi op video staan, en daarmee goedkoop en snel. Een uitstekende inzet van middelen en een goed signaal richting andere conflicten dat ook het vernietigen van cultureel erfgoed een misdrijf is waarvoor het Hof zal vervolgen als het de kans krijgt. Voor wat het waard is.

Gek genoeg echter blijft het Hof ontkennen dat het ‘politiek’ is. Het is bang dat het dan wordt afgeschilderd als niet-juridisch en oneerlijk. Maar juist in de zaak-Al-Mahdi kan het Hof duidelijk laten zien dat een politiek proces niet op gespannen voet hoeft te staan met juridische onafhankelijkheid en onpartijdigheid en dat het proces volgens de juridische regels kan worden gevoerd, met inachtneming van alle rechten van de verdachte. Het ontkennen van de politieke aard van het Hof is ook onzinnig: binnen de beperkingen door rechtsmacht en schaarse middelen moet het Hof wel ‘politiek’ zijn. In plaats van ontkennen zou het Hof hier juist open mee moeten omgaan, uitleggen wat de keuzes zijn, waarom die worden gemaakt, en open de dialoog aangaan hierover. Hiermee zou zijn politieke rol veel effectiever worden omdat het gesprek dan juist ook over die keuzes mag gaan in plaats van dat het nu steeds onder het tapijt wordt geveegd.