Kunstenaars zijn net drugdealers

Kunstenaar Leo Wijnhoven (56) vroeg deze week in Het Parool aandacht voor een huurverhoging die woningbouwvereniging De Key hem in de maag splitste. Van 315 naar 550 euro, voor zijn atelier aan de Amsterdamse Egelantiersgracht. Het betekent het einde van zijn kunstenaarschap, zei hij. Bovendien verliest de stad zo zijn kunstenaars.

Het interview pakte anders uit dan Wijnhoven had gedacht. De verontwaardiging richtte zich op hem, niet op de woningbouwvereniging. Wat dacht deze verwende aap wel? De ‘allround mensenmens’ Annabel Nanninga vatte de onvrede op sociale media helder samen: „27 jaar voor een prikkie op een toplocatie huren, shit maken die niemand koopt, dan na huurverhoging bijstand eisen.”

Wijnhoven maakt grote, fotorealistische schilderijen, shit die ik mooi vind. Hij verkoopt zo’n twee werken per jaar, voor 2.000 à 3.000 euro. Er staan nog 800 werken in zijn atelier. Ook dit lokte veel boze reacties uit. „Kap er dan mee joh!”

Alles wat de critici zeiden, kon ik begrijpen. En tegelijk vind ik het hardvochtig. Wijnhoven, een vijftiger, leeft in een wereld die dertig jaar geleden bijzonder groot was in Amsterdam: mensen die met weinig inkomsten toch een redelijk leven leiden dat niet in overeenstemming is met de harde wetten van de markt. Ze zijn behept met wat kunstsocioloog Hans Abbing een ‘kunstethos’ noemt. In zijn boek met de geweldige titel Why are artists poor? (want denk niet dat Leo rijk is!) luidt het antwoord: omdat er erg veel van zijn. En waarom is dat? Omdat mensen geen kunstenaar worden voor het geld.

Een Amerikaanse econoom, Steven Levitt, heeft in een hoofdstuk met de titel ‘Why Do Drugdealers Still Live with Their Moms’ uitgelegd dat dit bij verkopers van crack in Chicago niet anders is. Die verdienen minder dan werknemers van McDonald’s en zijn bereid te werken onder abominabele arbeidsomstandigheden (koud weer, grote kans doodgeschoten te worden). Waarom? Omdat het gaaf is, een ‘glamour profession’.

Uit het interview met Wijnhoven maak ik op dat hij zijn beroep ook zo ziet. Hij gaat ervan uit dat wij, lezers, zijn ‘kunstethos’ delen en het verschrikkelijk vinden dat de harde wetten van de markt kunstenaars uit Amsterdam verjagen. Dat is een misrekening. Nog maar weinig mensen vinden dat erg. Wie het niet op eigen kracht kan, zo is de gedachte, die verdient geen medelijden. Jammer eigenlijk, want is het niet prettig als af en toe een tikje wereldvreemde kunstenaar de dominantie van het ‘marktethos’ doorbreekt? Ik zeg: Go Wijnhoven!

Pieter van Os schrijft wekelijks over gekrakeel in de kunst